WELKOM    VVV   VRIENDEN VV NIEUWS vvv AGENDA vvv LINKS vvv CONTACT vvv FACEBOOKN
     
     
  Uitreiking postume  onderscheidingen 6 maart 2020
  geplaatst 8 maart 2020  
   
  (foto's Bert van Willigenburg )
 
   
 
   
  Er waren zes postume decorandi afgelopen vrijdag 6 maart op Bronbeek. Commandant Bronbeek, kolonel van Dreumel mocht de onderscheidingen uitreiken aan kinderen, kleinkinderen en zelfs een weduwe.
 
   
  Kolonel van Dreumel : 'Vandaag is het een dubbel bijzondere dag. Ik mag vandaag een postume uitreiking doen aan de wťduwe van ťťn van de decorandi en dat is op zichzelf al bijzonder. Mevr. Erna Aleida Smith-Broers, voor u een speciaal welkom, omdat u vandaag niet alleen persoonlijk de postume onderscheidingen van uw echtgenoot in ontvangst wilt nemen, maar zeker ook omdat u vandaag uw 99ste verjaardag mag vieren. Ik wil u van deze plaats, namens heel Bronbeek en vast en zeker ook namens alle aanwezigen hier van harte feliciteren.'
 
     
  Verder heette Kolonel van Dreumel ieder een warm welkom in zijn huis op Bronbeek en vertelde in het kort over de geschiedenis van de commandantswoning, het tehuis Bronbeek, de monumenten en de herdenkingen op het landgoed.  
     
  ...'Twee herdenkingen, die steeds in augustus onder grote belangstelling plaatsvinden hebben een directe relatie met de uitreiking van vandaag. De Birma-Siam en Pakanbaroe spoorlijnen en de zeetransporten. Zeetransporten staat stil bij de verschrikkingen op de hell ships. Met deze vrachtschepen brachten de Japanners krijgsgevangen en dwangarbeiders naar kampen buiten IndiŽ. Op de schepen waren de omstandigheden afschuwelijk en tot overmaat van ramp werden vele van deze schepen getorpedeerd door geallieerde onderzeeboten. 20.000 krijgsgevangenen kwamen op open zee om het leven.  
  Aan de Birma-Siam-lijn stierven gemiddeld 75 arbeiders per dag. 15000 krijgsgevangenen en meer dan 100.000 lokale romoesja’s lieten er het leven. Nog een 26.000 arbeiders overleefden de Pakanbaroe-lijn niet. De gedecoreerden hebben ook deze ontberingen doorstaan. Hun offers eren wij vandaag'....  
 
   
 
  'Waarom willen we na al die tijd, nu de decorandi zelf niet meer bij ons kunnen zijn, nog medailles voor hen aanvragen en deze zo feestelijk mogelijk uitreiken' vroeg hij zich af.  
  'Ieder van u heeft daar zijn of haar eigen beweegredenen voor: misschien eerbetoon, bevestiging, diep gevoelde eretaak, een schaarse tastbare herinnering'.  
     
  'Ik hoop dat de haast nietige kleinoden, die ik mag gaan uitreiken, u helpen dit grootste eerbetoon, uw herinnering, te realiseren en door te geven aan de generaties die na u komen'.  
     
  Hierna ging de kolonel over tot de uitreiking van de onderscheidingen aan:  
     
  Leendert Vogel  
 
Hiernaast mevr. Ans Vogel, (dochter) die de onderscheiding in ontvangst mocht nemen.
 
  Vogel, Leendert Cornelis, werd 28 december 1896 te Zevenbergen geboren. In Nederlands-IndiŽ was hij leraar wiskunde. In 1930 werkte hij op de Christelijke Algemeen Middelbare School te Weltevreden (Jakarta). Als Europeaan was Vogel dienstplichtig. Bij de mobilisatie in december 1941 werd ook hij opgeroepen. Als 45-jarige werd Vogel ingedeeld als landstormsoldaat infanterie bij de Landstormafdeling Bandoeng, met stamboeknummer 169996. De landstorm bestond uit oudere jaargangen dienstplichtigen en was niet geschikt voor inzet tegen eerste lijntroepen. Het had een territoriale taak: bewaking en beveiliging van het achtergebied. Bij de capitulatie van het KNIL op Java werd Leendert Vogel door de Japanse bezetter krijgsgevangen gemaakt.  
     
  De landstormsoldaat Vogel kwam in No. 2 Branch Camp of Java POW Camp, te Tjilatjap. Volgens zijn Japanse interneringskaart zat hij ook in No.1 Branch Camp of Java POW Camp te Bandoeng. In september 1944 werd hij op de #Junyo Maru met 2.300 krijgsgevangenen en ongeveer 4.200 romusha’s (Indonesische arbeiders) van Batavia verscheept naar Padang (Westkust-Sumatra). Het noodlot sloeg nog verder toe. Op 18 september 1944 werd het schip door de Britse onderzeeboot HMS Tradewind getorpedeerd. Twee torpedo’s troffen doel en binnen ongeveer 20 minuten zonk het schip. Bij deze ramp kwamen 1.626 krijgsgevangenen en ongeveer 4.000 romusha’s om het leven. Onder hen ook de landstormsoldaat L.C. Vogel  
     
  Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke omstandigheden en het door hem gebrachte hoogst mogelijke offer werd hem postuum toegekend:  
 
Mobilisatie-oorlogskruis
 
     
     
 
 Willem Wernink  
Kleinzoon Marc van Milligen de Wit nam de onderscheidingen in ontvangst
 
  Wernink Jr., Willem Catharinus, geboren op 10 mei 1901 te Koudekerke aan den Rijn. In 1922 sloot Willem Wernink een vrijwillige verbintenis als aspirant-officier van gezondheid (militair arts) bij het leger in Nederland. De overheid betaalde daarmee zijn studie geneeskunde met de verplichting om als arts een verbintenis bij het leger aan te gaan. Wernink studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Leiden.  
     
  Na zijn kandidaatsexamen te Leiden slaagde hij in juni 1924 voor het doctoraal examen in de geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna volgde hij aldaar de artsenopleiding. Op 30 maart 1926 werd Wernink als arts benoemd tot Officier van Gezondheid 2de klasse (eerste luitenant). Niet bij de Koninklijke Landmacht in Nederland, maar bij het KNIL. De volgende maand trad hij in het huwelijk met Doutje Hermina Zeijlemaker.  
     
  Wernink werd na zijn aankomst in Nederlands-IndiŽ direct geplaatst bij de Gewestelijke Militair Geneeskundige Dienst in Atjeh, Noord-Sumatra. Hij diende daar van 1926 tot 1930 op verschillende plaatsen. Hij was drager van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Westkust Atjeh 1925-1927. Dit betekent dat hij betrokken was bij het neerslaan van opstandige beweging(en) in die onrustige provincie van de Nederlandse kolonie. Na Atjeh volgde in 1930 een plaatsing bij het Militair Hospitaal te Malang, Java. Op 2 september 1930 werd hij aldaar garnizoensarts. In 1933 had Willem Wernink na zeven jaren onafgebroken dienst recht op negen maanden Europees verlof. Na zijn verlof in Nederland keerde Wernink in begin 1934 als garnizoensarts van Koetaradja terug naar Atjeh. Hij was in maart van dat jaar nog bevorderd tot Officier van gezondheid 1ste klasse (kapitein). Vanaf 1935 werkte Wernink als garnizoensarts te Bandoeng en op de ziekenzalen van het Militair Hospitaal te Tjimahi en Bandoeng. In oktober 1941 werd hij overgeplaatst naar Batavia.
Na de mobilisatie van het KNIL in december 1941 werd in Midden-Java een extra regiment geformeerd: Groep Zuid. Kapitein arts Wernink werd bij dit zwakke regiment ingedeeld als regimentsarts. Het regiment lag in de zogenaamde Vorstenlanden en trok na de Japanse landing bij Kragan achter de rivier Serajoe bij Tjilatjap terug. Daar kwam het in gevecht met Japanse troepen. Het KNIL capituleerde op 8/9 maart 1942.
 
     
  Als krijgsgevangene werd Wernink opgesloten in No. 1 Branch Camp of Java POW Camp, Bandoeng met krijgsgevangenennummer 15965. Dit kamp had een gedetacheerd kamp in Bandoeng en drie gedetacheerde kampen in Tjimahi. In welke van de vier kampen hij precies heeft gezeten wordt uit zijn Japanse interneringskaart niet duidelijk. Op 7 juli 1944 werd hij verplaatst naar No. 1 Branch Camp of Malay POW Camp met krijgsgevangenennummer 19472. Dit kamp lag aanvankelijk in Medan en werd in juni 1944 verplaatst naar #Pakanbaroe.  
  Daar werd een spoorlijn aangelegd. Op 8 november 1944 sloeg het noodlot verder toe: hij werd ziek. Nog geen maand voor het eind van de oorlog overleed de Officier van Gezondheid 1ste klasse W.C. Wernink op 23 juli 1945 in het Patient Receiving Station aan beri-beri.  
     
  Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke omstandigheden en het door hem gebrachte hoogst mogelijke offer werd hem postuum toegekend:  
 
Mobilisatie-oorlogskruis
het Ereteken voor Orde en Vrede
het Demobilisatie-insigne KNIL
 
     
     
 
Armand Frieser  
zoon Ed Frieser nam de onderscheidingen in ontvangst
 
  Frieser, Armand Waldemar Hompes, werd geboren op 20 oktober 1911 te Soerabaja. Hij was volgens zijn Japanse interningskaart in 1941 zonder beroep. De Europese bevolkingsgroep was in Nederlands-IndiŽ met ingang van 1918 dienstplichtig. Zo ook A.W.H. Freiser. Dit betekende dat hij op zijn 18de werd opgeroepen voor zijn eerste oefening (stamboeknummer 98211). Dat moet dus rond 1929 zijn geweest. Vanaf 1925 werden de dienstplichtigen ingedeeld bij de mitrailleurcompagnieŽn, wielrijders, artillerie en genie. Frieser diende bij de artillerie. Na zijn eerste oefening moet hij geregeld voor korte herhalingsoefeningen zijn opgeroepen.
Op 8/9 december 1941 werd het KNIL gedeeltelijk gemobiliseerd. De algemene mobilisatie volgde op 11/12 december 1941. Frieser werd bij de algemene mobilisatie opgeroepen. De mobilisatiebestemming was het Bataljon Kustartillerie te Soerabaja. Dit bataljon bezette de diverse batterijen en bediende het kustgeschut waarmee de toegang tot de vlootbasis Soerabaja werd verdedigd. De eenheid van Frieser is zeer waarschijnlijk niet in actie geweest, omdat de Japanners Soerabaja over land aanvielen. Bij de capitulatie van het KNIL op Java raakte ook Frieser in Japanse krijgsgevangenschap.
 
     
  Hij werd gevangengezet in No. 3 Branch camp of Java POW Camp te Soerabaja met krijgsgevangennummer 7975 of 7976. In 1943 werd hij naar No. 6 Branch camp of Thai POW Camp getransporteerd. Dit kamp lag te Kinsayok. Het kamp viel onder de 6th Company, 3rd Battalion 9th Railway Regiment van het Japanse leger. In maart 1943 werd het kamp verplaatst naar Hindato. De gevangenen werden te werk gesteld bij de bouw van de #Birma-Siam spoorlijn en vanaf februari 1944 bij het onderhoud. De naam van het kamp werd gewijzigd in No. 1 Branch Camp of Thai POW Camp. Frieser werd in Siam (Thailand) op 15 augustus 1945 bevrijd.  
     
  Na zijn krijgsgevangenschap kon Frieser niet direct terugkeren naar Java. Zoals veel dienstplichtigen zwaaide hij niet af, maar bleef in dienst. Waarschijnlijk tekende hij vrijwillig voor een jaar. Hij werd ingedeeld bij de Nederlandse-Indische troepen in Siam. Pas op 26 maart 1946 werd hij geplaatst bij het Indelingskamp Batavia. Op 27 mei werd Armand Frieser ingedeeld bij de U-Brigade te Batavia. Waarschijnlijk diende hij bij de staf. Kort daarna, op 13 juni 1946, zwaaide Frieser eindelijk af. Zijn militaire loopbaan bij het KNIL was ten einde.  
     
  Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke werd hem postuum toegekend:  
 
Mobilisatie-oorlogskruis
het Ereteken voor Orde en Vrede
het Demobilisatie-insigne KNIL
 
     
     
 
Johan van Lakerveld  
zoon, Paul Lakerveld nam de onderschieidingen in ontvangst.
 
  Lakerveld, Johan Antoine van, werd op 15 april 1907 geboren te Soerabaja. Na de lagere school ging hij naar de Middelbare Technische School in Nederland in Amsterdam. Hij vervulde in 1927 zijn dienstplicht in Nederland bij het 5 Regiment Infanterie in Amersfoort. Het volgende jaar vertrok hij in juni met het M.S. Christiaan Huygens naar Nederlands-IndiŽ. Hij trouwde op 33-jarige leeftijd op 5 maart 1941 in Benkoelen, Westkust-Sumatra, met Maria Theodora Hoorn. Hij werkte als tweede machinist op de suikerfabriek Tjoekir in Djombang, Oost-Java. Als Europeaan was Van Lakerveld ook dienstplichtig in Nederlands-IndiŽ. Zo had hij in 1934 een 21 daagse herhalingsoefening.  
  Bij de algemene mobilisatie van het KNIL werd ook Van Lakerveld gemobiliseerd. Hij werd in de rang van landstormsergeant 1ste klasse ingedeeld bij het 2de Landstormbataljon te Soerabaja (stamboeknummer 145007). Als brigadecommandant commandeerde hij een infanterie-eenheid van 15 man. Landstorm II was een zwak bataljon belast met de lokale verdediging van Soerabaja.  
  De landstorm bestond uit dienstplichtigen van 33 jaar en ouder. Het KNIL capituleerde op 9 maart 1942. Ook landstormsergeant 1ste klasse J.A. van Lakerveld ging in Japanse krijgsgevangenschap.  
  Van Lakerveld zat gevangen in No. 3 Branch Camp of Java POW Camp te Soerabaja. Hij werd reeds in 1942 naar Singapore verscheept. Vandaar vertrok hij met het hellship Kamakura Maru op 30 november 1942 naar Nagasaki. Het transport eindigde in kamp Osaka 7D ook wel Harima, een scheepswerf. Het kamp telde 395 Nederlandse en 5 Britse krijgsgevangenen.  
  De krijgsgevangenen werden op de scheepswerf te werk gesteld. De voeding was slecht en het oude kamp was tochtig. Het kamp werd eind mei 1945 gesloten. De resterende krijgsgevangenen werden naar Osaka 8B en 9B overgebracht. Van Lakerveld kwam in #Osaka 8B terecht. Daar werd bij in augustus 1945 bevrijd.  
     
  De voormalige Nederlandse krijgsgevangenen in Japan werden in september 1945 naar Manila, op de Filipijnen verplaatst. Vandaar ging het in november 1945 naar Balikpapan op Borneo.  
     
  Sergeant Van Lakerveld werd niet gedemobiliseerd, maar bleef als vele dienstplichtigen in dienst. Hij werd ingedeeld bij de 61 Compagnie en vervolgens bij het Leger Organisatie Centrum IV te Pontianak, West-Borneo. Zijn echtgenote kwam over naar Borneo. Daar werd hun zoon geboren.  
  Op 18 juli 1947 volgde indeling bij het 9 Bataljon Infanterie te Pontianak. Pas op 11 maart 1948 verliet sergeant Lakerveld te Soerabaja de dienst met groot verlof.  
  Na zijn diensttijd ging hij werken op de suikerfabriek Watoe-Toelis bij Buitenzorg / Bogor.  
  Om medische redenen vertrok J.A. van Lakerveld met zijn gezin in 1948 alsnog naar Nederland.  
     
  Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke omstandigheden werd hem postuum toegekend:  
 
Mobilisatie-oorlogskruis
het Ereteken voor Orde en Vrede
het Demobilisatie-insigne KNIL
 
     
     
  Richard Smith  
 
weduwe mevr. Erna Aleida Smith-Broers nam de onderscheidingen in ontvangst
 
  Smith, Richard Eduard, werd op 24 februari 1923 geboren te Wonosobo, Midden-Java. Hij volgde de lagere school en MULO-B. Op 6 augustus 1941 werd hij als dienstplichtige opgeroepen voor zijn eerste oefening. Hij kreeg zijn opleiding bij het Rechterhalf 21ste Bataljon Infanterie (RH Inf XXI) te Yogjakarta.  
  Op 27 december 1941 werd militiesoldaat Smith (stamboeknummer 42723) ingedeeld bij het 1ste Infanterie Bataljon. Dit bataljon lag in Magelang en was onderdeel van het 4de Regiment. Dit regiment werd eind februari 1942, kort voor de Japanse landingen op Java, van Midden-Java naar de hoogvlakte van Bandung verplaatst. De 2de compagnie van het 1ste Infanterie Bataljon (Europese) moest de Tjiaterstelling, en daarmee ťťn van de passen tot de hoogvlakte, verdedigen. Uit zijn voorlopig uittreksel stamboek blijkt niet bij welke compagnie Smith diende. Het is echter waarschijnlijk dat hij actie zag bij Tjiater. Het lukte het KNIL niet de Japanse aanval op de Tjiaterstelling af te slaan en deze werd doorbroken. Op 9 maart 1942 capituleerde het KNIL.  
  Soldaat Smith ging in krijgsgevangenschap. Hij verbleef in kampen te Bandung, Tjimahi en Batavia. Op 22 en 24 april 1943 werden vanuit Surabaya krijgsgevangenen naar de Molukken verscheept voor de aanleg van vliegvelden. Japan wilde de uiterste verdedigingsring tegen de Amerikaanse opmars langs de Noordkust van Nieuw-Guinea versterken. Smith was een van deze krijgsgevangenen. Het doden-aantal van deze helse zeetransporten lag hoog, tussen de 30 en 50%. Smith overleefd het en werd in augustus 1944 teruggebracht naar Java. Daar werd hij bij de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 bevrijd.  
  De Japanse capitulatie bracht geen eind aan de strijd. Op 17 augustus 1945 verklaarde IndonesiŽ zich onafhankelijk. De Indonesische onafhankelijkheidsoorlog brak uit. Het KNIL formeerde uit voormalige krijgsgevangenen te Batavia drie infanteriebataljons en organiseerde deze in het 1ste Regiment. Smith werd bij deze bataljons ingedeeld. Ook diende hij enige maanden bij de staf van het regiment. Op 30 maart 1946 trouwde hij met mevrouw Broers.  
  Op 13 maart 1947 werd Smith afgekeurd voor dienst te velde. Hij bleef wel in militaire dienst. Vanaf 19 maart diende hij bij het 2de Bataljon Infanterie. Op 25 maart 1949 ging Smith over naar de Topografische Dienst, de landmeetkundige dienst van het KNIL. Dit bleek geen gelukkige plaatsing. Smith werd daarom in november 1949 ingedeeld bij het Basiscommando Batavia en regulier geplaatst in de Militaire Gevangenis te Boekit Doeri. Op 24 juli 1950 volgde in verband met de opheffing van het KNIL zijn eervol ontslag.  
     
  Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke werd hem postuum toegekend en/of uitgereikt:  
 
Mobilisatie-oorlogskruis
het Ereteken voor Orde en Vrede
het Demobilisatie-insigne KNIL
 
     
     
  Willem Maštoke  
 
kleinzonen Marlon en Noah namen de onderscheidingen in ontvangst.
 
  Maštoke, Willem Coenraad, werd op 13 april 1916 te Wasia op Ceram in de Molukken geboren. Hij doorliep de Volkschool en werd landbouwer. Op 6 april 1936 verbond hij zich voor zes jaren vrijwillig als militair bij het KNIL (stamboeknummer 31551). Hij sprak Maleis, geen Nederlands. Bij het KNIL werden militairen naar etnische afkomst geworven en ingedeeld. Willem was een christelijke Ambonees. Deze bevolkingsgroep kreeg binnen het KNIL een voorkeursbehandeling. Terwijl zij 0,38 % van de bevolking uitmaakte leverden zij in 1929 ongeveer 11 % van de militairen van het KNIL.  
     
  Samen met de Europese militairen en de eveneens veelal christelijke Menadonezen vormden de Ambonezen een tegenwicht tegen het groot aantal Islamitische Javaanse militairen.  
  Maštoke kreeg zijn eerste militaire opleiding bij het 1 Depotbataljon te Bandoeng. Daar werd hij opgeleid tot karabijnschutter. Voor Europese rekruten duurde deze opleiding een half jaar, voor Ambonezen en Menadonezen 7 maanden en voor de overige niet-Europese rekruten 8 maanden. Na zijn opleiding werd hij op 29 oktober 1936 geplaatst bij de 1 Compagnie 2 Infanterie Bataljon (1-Inf II) te Magelang, Midden-Java. De infanteriecompagnieŽn waren landaardgewijs samengesteld.  
  Dat wil zeggen dat de compagnie bestond uit Ambonese militairen met deels Europees kader. In 1940 werd Maštoke overgeplaatst naar Ambon bij het Garnizoensbataljon der Molukken. Daar maakte hij de Japanse aanval op Ambon mee. Op 1 februari 1942 capituleerde het grootste deel van het Nederlands-Indische garnizoen op het eiland. Australische troepen wisten de strijd nog enige dagen vol te houden.  
  Volgens zijn staat van dienst werd Ambonees fuselier W.C. Maštoke op 1 februari 1942 krijgsgevangen gemaakt. De volgende dag werd hij ‘bevrijd’. Waarschijnlijk is hij helemaal niet vrijgelaten, maar zelf uit het krijgsgevangenkamp gevlucht.  
  Maštoke meldde zich op 11 oktober 1945 te Ambon bij het KNIL terug. Hij werd bij het Leger Organisatie Centrum opnieuw opgeleid en op 10 mei 1946 bij de Y-Brigade op Bali geplaatst. Nederland was inmiddels in de onafhankelijkheidsoorlog met IndonesiŽ terecht gekomen. Maštoke maakte ondertussen promotie: in januari 1947 volgde zijn bevordering tot tijdelijk korporaal, op 14 december 1948 tot sergeant 2de klasse en op 1 oktober 1949 tot sergeant. Begin januari 1949 werd hij overgeplaatst naar 7 Bataljon Infanterie in de Riouw archipel.  
  In november 1949 keerde hij terug op Bali bij het 12 Infanterie Bataljon. De koloniale oorlog liep ten einde. In augustus 1949 was een wapenstilstand gesloten tussen Nederland en de Republiek IndonesiŽ. Het KNIL zou worden ontbonden.  
  Op 30 mei 1950 werd sergeant Maštoke in verband met de opheffing van het KNIL eervol uit de dienst ontslagen. Vůůr doorzending naar Ambon volgde overplaatsing naar Soerabaja. Demobilisatie op Ambon was echter niet mogelijk. Hij kwam daarom terecht in het Doorgangskamp (DGK) Soerabaja. Hij werd tijdelijk bij de Koninklijke Landmacht geplaats. Op 14 april 1951 volgde de reis naar Nederland, waar op 10 mei ook het tijdelijk dienstverband bij de Koninklijke Landmacht eindigde.  
     
  Willem Maštoke arriveerde met vrouw, dochter en twee zonen op de Skaubryn in een hem onbekend land en zonder betrekking. De exodus van zijn gezin was begonnen.  
     
  Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn inzet onder buitengewoon moeilijke werd hem postuum toegekend:  
 
Oorlogsherinneringskruis
het Ereteken voor Orde en Vrede
het Demobilisatie-insigne KNIL
 
     
     
  Foto impressie Bert van Willigenburg  
 
   
   
 
   
   
   
 
   
   
   
  ◊- Ere wie ere toekomt - Roel Rijks
  ◊- Andere tijden - Junyo Maru
  ◊- Stichting herdenking Birma Siam en Pakan Baroe spoorlijnen
  ◊- Krijgsgevangen kampen - Henk Beekhuis
  ◊- Zeetransporten - Henk Beekhuis
  ◊- Stichting Herdenking Slachoffers Japanse Zeetransporten
   
   
   
   
   
 
 
Stichting Vrienden van Bronbeek
Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum KTOMM Bronbeek 
     
 
SVVB
 
 
SVVB