NIEUWS
Uitreiking Postume militaire onderscheiding KNIL sergeant foerier Johannes Kerrebijn 1901-1942 zondag 20 oktober 2019 op KTOMM Bronbeek
geplaatst 28 okt 2019 
(foto's Arjan Vrieze, Traces of War )
   
Vandaag is er sprake van een bijzondere postume medaille uitreiking. Twee jaar geleden bij de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 werd de naam genoemd van de man bij de vlaggenmast in het KNIL uniform: onze bewoner, de adj b.d.

Bol Kerrebijn. Bij mevrouw Thea Meulders, hier aanwezig, gingen toen rillingen over haar rug. Immers dat was ook de naam van de sergeant die gelijktijdig met haar vader eerste luitenant J.C. Meulders medio maart 1942 werd onthoofd.

Zij kregen de eredood: het zwaard wegens dapperheid, terwijl de manschappen de kogel kregen en alle lichamen in de rivier werden gegooid. De dardanel(een oppasser van een KNIL Marechaussee-officier) van haar vader soldaat-fourier Hallatu die ook gewond was, kon na de oorlog verslag doen van die gebeurtenis. Al die jaren werd door mevrouw Meulders getracht meer over haar vader te weet te komen en de naam Kerrebijn viel daar regelmatig bij.
Op 15 augustus 2017, 75 jaar na dato, sprak zij dus met de neef van sergeant Kerrebijn, de adjudant b.d.Kerrebijn, bewoner van Bronbeek. Hij vertelde dat hij als 14 jarige jongen in maart 1942 van school naar huis liep. Zijn moeder heeft hem bij thuiskomst verteld dat zijn oom was omgebracht. Dat bericht was haar verteld door haar broer, eerste luitenant  Vic ToersBijns, die tot 1944 een verzetsgroep leidde in Zuid-Sumatra en na verraad en zware mishandelingen door de Kempetai werd onthoofd.
Terwijl mevr Meulders  op zoek was naar meer informatie over haar vader bracht zij verschillende families in contact met elkaar en dat na 75 jaar (!).

Dit bijzondere verhaal werd in november 2018 aan Kolonel bd Jacques Brijl vertelt, die zich toen heeft ingezet voor de postume toekenning van het Mobilisatie Oorlogskruis.

Het was de wens om het MOK voor de sergeant Johannes Kerrebijn uit te reiken op Bronbeek aan neef Bol.

Mobilisatie-oorlogskruis
Kerrebijn, Johannes, werd op 15 februari 1901 geboren in Gouda. Op 4 november 1918 tekende hij voor zeven jaren als vrijwilliger bij de koloniale
troepen (stamboeknummer 4247). Op 6 februari 1919 vertrok hij niet naar Nederlands-Indië, maar naar Curaçao op de Nederlandse Antillen. Daar lag, net als nu, een compagnie infanterie. In april 1922 was hij weer terug in Nederland om een maand later scheep te gaan naar Nederlands-Indië.
De soldaat Kerrebijn kwam op 30 juni 1922 in Batavia, het huidige Jakarta, aan.
Hij werd geplaatst bij het 1 Depotbataljon te Bandung voor zijn opleiding tot geweerdrager bij de infanterie. Na zijn opleiding werd hij ingedeeld bij het 15 Bataljon Infanterie ook te Bandung. Op 5 augustus 1924 werd hij bevorderd tot infanterist eerste klasse. Op 9 november 1925 tekende hij bij voor zes jaren en vertrekt hij eind 1925 voor verlof naar Nederland. Tijdens zijn verlof trouwde hij op 5 mei 1926 te Den Haag met de in Duitsland geboren Anna Baier. Uit dit huwelijk werden twee zonen geboren. Op 25 juli 1926 was hij weer terug in Nederlands-Indië. Daar volgde plaatsing bij het Linkerhalf 21 Depotbataljon te Surakarta. Op 1 juli 1927 werd Kerrebijn geplaatst op de Kaderschool te Magelang voor de opleiding tot brigadier-titulair (brigadier was toentertijd een korporaalsrang). Na deze opleiding moest hij zich als brigadier-titulair in de praktijk bij het 1 Bataljon Infanterie in dezelfde stad bewijzen. Dit ging goed want op 29 december 1928 werd hij effectief brigadier. Dit bleek slechts een opstap naar een volgende promotie, want op 1 januari 1929 al werd hij opnieuw op de kaderschool geplaatst. Thans voor de opleiding tot sergeant.
Na deze opleiding volgde plaatsing bij 10 Bataljon Infanterie te Weltevreden. Eind 1929 werd hij fourier bij de 3 Mitrailleur Compagnie onderdeel van het 3 Regiment Infanterie te Meester Cornelis (thans een deel van Jakarta). In 1932 was hij weer voor verlof in Nederland. Na dit verlof werd sergeant-fourier Kerrebijn geplaatst bij het Garnizoensbataljon van Atjeh en Onderhorigheden. Dit was een orde en rust eenheid in het roerige gewest Atjeh op Noord- Sumatra. Tijdens zijn diensttijd had hij ook met succes de opleiding tot telefonist-infanterie gevolgd en verwierf hij de Vaardigheidsmedaille van het KNIL en diverse schietprijzen met de karabijn M.95. Op 31 juli 1935 werd hij te Tjalang aan de Westkust van Atjeh eervol uit de dienst ontslagen.
Hij kwam naar Nederland, maar qua weer en werk lijkt het niet te zijn bevallen,want op 17 maart 1938 tekende hij in Nijmegen opnieuw voor vier jaren overzeese militaire dienst. Hij vertrekt op 27 april als fourier van de infanterie andermaal naar Nederlands-Indië (stamboeknummer 93670). Hij werd weer op Atjeh geplaatst bij het 2 Garnizoensbataljon van Atjeh en Onderhorigheden.
Nog datzelfde jaar werd hij ingedeeld bij de 4 Divisie van het Korps Marechaussee te Lammeulo, aan de Noordkust van Atjeh. Het Korps
Marechaussee van het KNIL was geen militaire politie, maar een infanterie-eenheid gespecialiseerd in contraguerrilla, in het bijzonder in Atjeh.Atjeh kende een relatief sterke bezetting van KNIL troepen: vier garnizoensbataljons en het Korps Marechaussee. In vredestijd 3.500 man.
Op 12 maart 1942 landden Japanse troepen op vier plaatsen op de Noord- en Oostkust van Sumatra. De KNIL troepen op Java hadden inmiddels op 9 maart gecapituleerd.
De KNIL troepen in Midden- en Noord-Sumatra zetten de strijd echter voort. Het KNIL voerde vertragende acties uit met als doel uiteindelijk in Noord-Sumatra de laatste tegenstand te bieden. In Atjeh brak echter een opstand uit, waarbij de Atjehers zich tegen het koloniale gezag keerden. Het moreel van de KNIL-troepen was door dit alles ernstig aangetast. Zij vormden geen partij voor de agressief en mobiel optredende Japanse troepen. De bij Kotaradja (het huidige Banda Aceh) gelandde Japanse troepen rukten langs de Noordkust op. De strijd was snel gestreden. Op 28 maart capituleerde de Nederlands-Indische troepen onder generaal-majoor R.T. Overakker.
De sergeant-fourier J. Kerrebijn nam aan deze strijd in Noord-Sumatra deel. Hij was inmiddels kennelijk van de 4 naar de 5 Divisie Korps Marechaussee overgeplaatst. Onder kapitein L.A. Boucherie werd vanaf 14 maart stelling betrokken op de weg Bireuën – Takingeun.
De eerste-luitenant J.C. Meulders kreeg opdracht met een brigade (15 man) de westelijke toegangen af te sluiten en een guerrilla te voeren. Bij de brigade bevond zich sergeant Kerrebijn. Sinds die actie werden Meulders en Kerrebijn vermist.
Naar later bleek werd hun inmiddels tot vier militairen geslonken groepje door de Japanners gevangen genomen. De eerste luitenant J.C. Meulders en sergeant-fourier J. Kerrebijn werden richting Bireuën afgevoerd en werden op 19 maart 1942 door de Japanners onthoofd.
Op basis van zijn verdienste en als blijk van respect en waardering voor zijn
inzet onder buitengewoon moeilijke omstandigheden en het door hem
gebrachte hoogst mogelijke offer wordt aan de sergeant-fourier J. Kerrebijn
postuum het Mobilisatie-oorlogskruis toegekend.
Toespraak ter gelegenheid van de uitreiking van het Mobilisatie Oorlogskruis aan KNIL sergeant fourier Johannes Kerrebijn, Bronbeek 20 oktober 2019.
Door Bart Kerrebijn.
Geachte aanwezigen, commandant Van Dreumel,
Het zal de geest van wijlen sgt. Kerrebijn zeker deugd doen, dat met de uitreiking van het MOK aan hem nu ook officieel is vastgesteld dat hij er daadwerkelijk bij was, daar op Sumatra maart ‘42, gemobiliseerd om de Japanse indringers af te stoppen, en dat deze dienstbaarheid hem en zijn commandant, luit. Meulders, letterlijk de kop heeft gekost: Na hun gevangenneming zijn zij beide door de Jap eervol onthoofd.
Bovenal zal hij hun zeer erkentelijk zijn, die zich zelfs 77 jaar na dato individueel geroepen hebben gevoeld om aan een snel vergeten maatschappelijke verplichting alsnog te voldoen. In het bijzonder wil ik hier de betrokkenheid en inspanning van kolonel bd. Jacques Z. Brijl en mevr. Thea Meulders roemen. Daarnaast gaat mijn dank uit naar het comité Ereschuld Onderscheidingen, Roel Rijks,  die de uitreiking heeft bekrachtigd, en natuurlijk naar Bronbeek, multifunctioneel militair tehuis, museum, herdenkingsoord en rustgevend landgoed, alwaar wij ons bevinden.
Ereschuld is het woord waar ik u vraag even bij stil te staan, ruimer dan een moment maar geheel binnen de tijdsmarge van deze plechtigheid.
Waarlijk een plechtige term die het besef van morele verplichting van een moederland jegens ingezetenen van haar kolonie voor haar handelswijze en de gevolgen daarvan tracht te benadrukken, en waarmee overigens voor het eerst naar Nederland is verwezen door een directe voorouder van mijzelf, door mr. C. Th. Van Deventer in een geruchtmakend artikel uit 1899 in De Gids.
Het zou meteen duidelijk moeten maken hoe wij een onderscheiding als het MOK eervol moeten plaatsen. Leest men echter het Koninklijk besluit van oktober 1948, hernieuwd vastgesteld in oktober 1992, dan is het cru gezegd eerder een bewijs van deelname aan de mobilisatie, een bevestiging van militaire inzet tegen de bezetters van Nederlands grondgebied, waar men bovendien zelf achteraan moest gaan!
Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat de praktijk vraagt om maatschappelijke waardering door bijvoorbeeld de buitengewone omstandigheid te benoemen. Het is juist deze hybride toestand die inzake onze voormalige kolonie het onderscheid tussen de juridische en morele verplichting van een regering in het midden laat. Het voelt als weer een polderoplossing die met een laconiek aandoende rechtmatige vrijwilligheid een aanhoudend knagend geweten dat om genoegdoening schreeuwt, probeert te sussen.
Het inlossen van verplichting vraagt om vanzelfsprekendheid. Voor soldaten zoals sgt. Kerrebijn en luit. Meulders betekende dit dat zij onvoorwaardelijk hun beste gaven, incluis hun leven, ter verdediging van het land en ter bescherming van de mensen. Zij verwachtten wederkerigheid bij hen die hun deze verplichting hadden opgelegd, de koningin, de regering, de bevolking, kortom het land dat zij dienden. En daar zouden zij na gedane zaken toch niet het initiatief voor hoeven te nemen, laat staan hun nabestaanden ervoor te laten soebatten?
Gelukkig bieden particuliere initiatieven zoals van kol. Brijl enig soelaas. Het is bovendien een groot wonder dat er in Nederland al sinds eeuw en dag een plek is gereserveerd waar de verplichting van de staat voor haar onderdaan eensluidend - moreel en juridisch - niet slechts op papier maar in steen is gegoten met een dynamiek die voorziet in een veranderlijke toekomst: Bronbeek! Het maakt dit landgoed (waar wij treffend ons nu bevinden) juist zo uniek en legitimeert ruimschoots voldoende haar bestaan, nu en later.
In navolging van deze voorzienigheid wens ik onze huidige regering eenzelfde reflectie maar wel met meer correctieve daadkracht, vooral daar waar het gaat om het noodzakelijke respect door het waarderen van bijzonderheid. En het is persoonlijk want het betreft hier een nog levende Kerrebijn, mijn vader, die ondanks zijn hoge leeftijd, zich steeds maar weer in het KNIL pak weet te heisen om deze of gene herdenking juist dat noodzakelijke beetje extra waarheid mee te geven. Hem volg ik terug naar kerst 1945 tijdens zijn vuurdoop bij het Eerste Bewakingsbataillon in Batavia.
Naar het jaar daarop nu bij de MP, toen hij zich voor aanvang van de eerste politionele actie vrijwillig meldde om in vijandelijk gebied ter verkenning voor en wegbereiding van de naderende opmars van de Nederlandse troepen bruggen en toegangswegen te ontdoen van boobytraps en explosieven. Er zouden nog een veelvoud van zulke informele maar risicovolle acties volgen, die door hem net als zijn wijlen familielid met een vanzelfsprekend enthousiasme werden uitgevoerd.
De resultante van deze verdienste was echter niet meer dan een administratief gekibbel over zijn diensttijd, dat bepaalde dat hij pas 1947 tot het KNIL zou zijn toegetreden, en een oorlogskruis dat hem in 1950 in Surabaya bij vertrek achteloos op het bed werd geworpen, niet eens met de noodzakelijke bijbehorende jaartal gespen die “later wel ‘ns zouden volgen”, een spoedig dat nooit is geworden. Het verdere verloop van zijn carrière kent jammergenoeg eenzelfde tendens.
Omdat hij aan de spits van elke vernieuwende ontwikkeling stond heeft hij niet de vruchten van zijn inzet kunnen plukken. Als de koek uiteindelijk werd verdeeld was hij reeds ingezet bij een ander onderdeel, aldaar bezig met verandering. Mijn vader maakte deel uit van het experiment. Hij behoorde tot de groep wegbereiders die door hun kennis, ervaring en vooral flexibiliteit de overgang naar een moderne Nederlandse krijgsmacht mogelijk heeft gemaakt. Maar ja, het wordt eentonig, het was blijkbaar allemaal te vanzelfsprekend.
Ik troost mij dat deze onachtzaamheid niet slechts defensie als minzaamheid is voorbehouden, maar dat het hier structureel een bestuurlijke en vooral een
ambtelijk egoïstisch gemotiveerde karaktertrek betreft. Een treffend recent voorbeeld is de reanimatie van het interesse van politiek Nijmegen in het gedenken van de bevrijdende acties van de geallieerden en met name van de Waal oversteek tijdens de operatie Market Garden aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. De algehele aandacht hiervoor was bij het stadsbestuur aan het begin van deze eeuw op sterven na dood. Het staat in schril contrast met vandaag, met het 180 graden gedraaide inzicht dat de boost van energie, die de stad anno 2019 kenmerkt, zal blijven aanhouden juist door het omarmen van dit speciale oorlogsverleden.
Het initiatief, de organisatie en de daadkracht die samen uiteindelijk hiertoe hebben bijgedragen, in het bijzonder tot wat nu bekend staat als de jaarlijkse herdenking verbonden aan het vernieuwde monument De Oversteek, incluis het toekennen van deze naam aan de belendende nieuwe verkeersbrug, zijn de verdienste van één persoon geweest, die hier in het publiek zit, maar die maatschappelijk is weggemoffeld want weinigen onder ons zullen van hem hebben gehoord, laat staan weten hoe hij eruit ziet.
Ik ga afsluiten met een bevrijd gevoel van tempoe doeloe, met dat waar het sgt. Kerrebijn en de zijnen allemaal om te doen is geweest, en met het nieuwe beeld dat zich daarover aan het vormen is. Ik volg het dekolonisatie onderzoek met meer dan gewone belangstelling. Tegen de onderzoekers zou ik dit willen zeggen (het is jammer dat één van hen, Onno Sinke, familie in de verte, vandaag niet aanwezig kon zijn): Waarheid is geen uitstervende diersoort die terwille van rechtspraak gered dient te worden. Zij ontleent haar geldigheid niet aan het protocol van welke wetgevende macht dan ook. Waar recht vereist te worden gesproken, vraagt waarheid om te worden bevrijd en verteld, van Sabang tot Lutjebroek.
 
Ik dank u zeer
-◊- Traces of War Foto verslag Arjan Vrieze, uitreiking MOK Kerrebijn
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
 
Stichting Vrienden van Bronbeek
Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum KTOMM Bronbeek 
     
mail: svvb1983@gmail.com

 

SVVB
 
 
@ SVVB