Museum:

museum

schenkingen

historie bronbeek

herdenkingen

     
 
 
MUSEUM
 
Historie Bronbeek :
 
ONTSTAANSGESCHIEDENIS VAN BRONBEEK
 
Prof. dr. Toon Kerkhoff heeft zich als geneeskundige al in de jaren 1990 verdiept in het ontstaan van het Invalidenhuis Bronbeek. Op 17 februari 2013 hield hij op Bronbeek de lezing ‘De stichting van Militair Invalidenhuis
Bronbeek: over ideaal en werkelijkheid’. In zijn betoog keek hij vanuit zijn beroepskader naar het ontstaan van het invalidenhuis. Kerkhoff stelde ons een bewerking van zijn boeiende voordracht ter beschikking.
Dit artikel is eerder verschenen in twee delen in het Bronbeek Bulletin (deel 1 dec 2013, deel 2 mrt/april2014)
 
Wie tweehonderd jaar geleden dienst nam als soldaat in het in 1830 opgerichte koloniale leger vond zijn weg met distels en doornen bezaaid. Het leven onder de īkoperen ploertī was zwaar en zeer riskant. Behalve de zon waren er de rebellerende inlanders. Gevaarlijker nog bleken de tropische ziekten die voortdurend op de loer lagen.
Men schat dat van de 12.000 soldaten die in de Atjehoorlogen zijn gesneuveld er 10.000 aan een ziekte overleden. Het animo om in de tropen te dienen was dan ook niet zo groot. Nederlanders lieten het werk zo mogelijk over aan anderen: het KNIL bestond voor 40% uit mensen uit IndiŽ zelf en voor 60% uit Europeanen. Van die laatsten kwam nauwelijks 20% uit ons eigen land.
Deze Nederlanders waren in het algemeen geen goudhaantjes: voor een deel ging het om deserteurs uit het Nederlandse leger, die via dienstneming in IndiŽ hun straf konden ontlopen.
Voor een ander deel betrof het ex-gevangenen die als soldaat een nieuw leven begonnen. Zonder uitzondering ging het om arme sloebers, die geen enkele andere uitweg uit hun misŤre zagen. niet voor niets werd het werfdepot in Harderwijk wel het ‘gootgat van Europa’ genoemd.
Wanneer iemand het geluk had na twintig zware jaren heelhuids in patriam terug te keren, betekende dat nog niet dat hij uit de problemen was. Veel soldaten hadden de nodige krassen en deuken opgelopen, maar bovendien was het pensioen dat ze kregen zo mager, dat de oudgedienden wel moesten bijwerken om zich staande te houden. Dat lukte nog wel als de gepensioneerde nog relatief jong was: men kon op zijn veertigste al twintig tropenjaren hebben. Veel moeilijker werd het als hij ouder was of, erger nog, als hij met een of andere chronische ziekte was behept of als hij invalide uit IndiŽ terug kwam.
 
Dat laatste was bijvoorbeeld het geval met de soldaat Jan Kersten uit de Raamstraat in Maastricht. De ongelukkige had staar gekregen. Hij zag niet veel en kon daarom niet bijwerken. dus vroeg hij om een uitkering.
In beginsel was dat wel mogelijk geweest, maar volgens de Militair Geneeskundige Dienst was de visus van de man bij zijn uitkeuring uit dienst in IndiŽ nog goed geweest. Hij moest de ziekte onderweg op de boot hebben opgedaan en dus niet in en door de dienst.
 
Naar een invalidenhuis
Of de officieren van gezondheid de man bij de uitkeuring goed bekeken hebben, is niet duidelijk. of ze overwogen hebben dat staar meestal niet in een paar maanden ontstaat, is ook niet na te gaan. Zeker is wel dat het trieste geval de aandacht trok. Daarvoor zijn minstens twee verklaringen te geven.
 
De eerste is dat de tijden aan het veranderen waren: Nederland was in de eerste helft van de negentiende eeuw niet ťťn land geweest, maar twee, zo schreef de historicus Brugmans ooit. Er was een dunne bovenlaag die bestond uit de adel, de deftige oude bourgeoisie en enkele rijke fabrikanten.
Daaronder volgde lange tijd niets, en dan kwam een brede onderlaag van armen, paupers, werklozen en bedelaars die slecht opgeleid, mager, sloom, willoos en ziekelijk was. die onderlaag had het slecht, want Nederland was straatarm uit de Franse tijd gekomen. Bovendien was de heersende opvatting in de conservatieve hogere kringen dat de armen hun lot nu eenmaal aan zichzelf te danken hadden en dat het niet juist was hen te ondersteunen; dat zou alleen maar meer ellende brengen.
Juist op dit punt trad in het midden van de eeuw een zekere kentering in: progressieve liberalen dachten dat de armen hun lot niet aan zichzelf,maar aan de ongunstige omstandigheden te danken hadden en dat het wel degelijk mogelijk was het volk via sociale maatregelen te ‘verheffen’, zoals dat heette. De eerste blijken van dat inzicht zijn te vinden in de nieuwe Armenwet van 1854, en in de stichting van de Maatschappij van Weldadigheid en van rijkswerkinstellingen in Veenhuizen (vanaf 1859).
Iets van deze ommekeer in het denken komt ook terug in het geval Kersten.
De Minister van KoloniŽn P. Mijer liet merken, dat hij met het geval in zijn maag zat en zelfs de Gouverneur-Generaal in IndiŽ bemoeide zich er op een gegeven moment mee. Tot een oplossing van het probleem kwam het echter niet: regels waren regels. Uiteindelijk schreef de minister van KoloniŽn in het geheim aan de burgemeester van Maastricht dat hij formeel niets kon doen, maar dat hij bereid was om de man te laten opnemen in een (militair) tehuis in Leiden - als de man daarom zou vragen.
De burgemeester mocht hem dat echter niet verklappen! Zo ging dat in die dagen nog.
 
Er was nog een tweede reden waarom het geval Kersten tot discussies in de hogere bestuurskringen leidde: men realiseerde zich dat het ellendige lot van de soldaten de toch al moeizame werving voor het KNIL ongunstig
beÔnvloedde. Dat bleek telkens als de commandant van het Indische leger weer eens soldaten te kort kwam. Hij liet dan via de Gouverneur-Generaal (GG) aan Den Haag weten hoeveel mannen er nodig waren. Daarop gingen de Minister van Oorlog en zijn collega van KoloniŽn samen aan het werven. Dat viel steeds weer tegen en op een gegeven moment adviseerde de Minister van Oorlog aan zijn ambtgenoot op KoloniŽn dat hij de dienst in IndiŽ aantrekkelijker moest maken.
 
Hij suggereerde:
1 -  dat de soldaten geen veertig, maar dertig jaren moesten dienen (net als in het Nederlandse leger!)
2 -  dat de pensioenen beter moesten worden, en
3 -  dat er bij invaliditeit iets geregeld moest worden.
 
In dat kader kon gedacht worden aan de oprichting van een invalidenhuis.
Dat laatste idee sprak de Minister van KoloniŽn wel aan. Minister P. Meijer was een conservatieve, maar sociaal tamelijk bewogen jurist die in IndiŽ gewerkt had en ooit al meegedaan had aan een adres dat bepaalde misstanden daar aan de kaak stelde. Hij gaf in 1857 aan een luitenant-kolonel b.d. van het KNIL (die toch naar Parijs moest) opdracht om eens een kijkje te gaan nemen in het beroemde Hotel des Invalides.
Dit was het majestueuze invalidenhuis dat in 1671 door Lodewijk XIV was gebouwd en dat op dat moment dus al tweehonderd jaar oud was.
Het draaide op volle toeren, want de Krimoorlog van 1853-1856 was juist afgelopen. In het schitterende complex waren niet minder dan 3000 invaliden opgenomen. Die werden op moderne wijze verzorgd, verpleegd
en waar mogelijk gerevalideerd.
De overste kwam dan ook zeer enthousiast terug en schreef een gedetailleerd rapport over het Parijse invalidenhuis. Zo’n huis, concludeerde hij, zou in Nederland ook niet misstaan. Minister Mijer nam het idee over en stuurde kort daarop een brief aan Koning Willem III, waarin hij voorstelde een invalidenhuis op te richten. de minister wees op ellendige gevallen als dat van Kersten, maar vergat niet om uit te leggen dat dit soort situaties de werving voor het koloniale leger niet bepaald bevorderde.
 
De Koning was met het plan wel ingenomen. Hij gaf er zijn goedkeuring aan op voorwaarde dat het huis ergens achteraf op het platteland zou worden gebouwd. Zo bleef het ellendig lot van de soldaten voor het oog van de wereld verborgen. Hem stond waarschijnlijk een soort veenkolonie voor ogen. dat is niet zo vreemd als het lijkt, want de ‘kolonie-gedachte’ leefde in die dagen. Bovendien werkten er in Veenhuizen al sinds 1828 KNIL-militairen als bewakers van gevangenen.
Commissie
Minister Mijer was het met ’s Konings zienswijze niet eens. Hij deed zijn best om de majesteit ervan te overtuigen dat het huis juist midden in een grote stad zou moeten worden gebouwd, zodat iedereen kon zien hoe goed de vorst voor zijn soldaten zorgde. Koning Willem III liet zich door dit argument overtuigen en Mijer kreeg toestemming – de MinisteriŽle bevoegdheden waren nog bescheiden – om een geschikte plaats in de hoofdstad des lands te gaan zoeken. Hij stelde een Commissie samen o.l.v. generaal-majoor b.d. M. Baron van Gheen (1801-1866). In de commissie zaten verder enkele ervaren oud-officieren van het KNIL die verstand hadden van bouwkunde, intendance en militaire administratie. De aanwezigheid van een officier van gezondheid werd merkwaardigerwijs niet nodig geacht.

De commissie ging voortvarend aan de slag. Ze vergaderde in eerste instantie in hotel Rondeel in Amsterdam (nu Hotel de l’ europe). Van daaruit ging men op zoek naar een geschikte plaats voor het invalidenhuis.
De zoektocht verliep moeilijker dan gedacht. Het probleem was dat men in Amsterdam in die dagen nog veel last had van ‘tussenpoozende koortsen’ ofwel van malaria.

#minister Pieter Mijer  
Relatief veilig was het centrum, waar het water wat harder stroomde. In de wijken daar omheen, de Jordaan, de eilanden en de Plantagebuurt was het al veel slechter. Toch bood de burgemeester juist in die wijken bouwplaatsen aan.

De commissie achtte die echter niet geschikt voor de oude en gebrekkige soldaten. Om haar argumenten kracht bij te zetten, schakelde ze nu een militaire arts in. Het was dr. C. Gobťe (1804-1875), een officier van gezondheid die van 1851 tot 1859 als garnizoensarts was gelegerd in Amsterdam. De dokter keurde de bouwplaatsen zorgvuldig en maakte daarbij dankbaar gebruik van de geneeskundige plaats- beschrijvingen die in die tijd in zwang kwamen. Hij had veel kritiek op de aangeboden plaatsen en legde omstandig uit dat men de veteranen niet zomaar aan de malaria kon blootstellen. Ook zijn bemoeienis leidde echter niet tot een bevredigende oplossing. Na verloop van tijd besloot de commissie daarom ook elders naar een geschikte bouwplaats te gaan zoeken. Dit besluit werd via kranten publiek gemaakt met als gevolg dat zich in korte tijd tal van steden aanmeldden, onder andere Zwolle en Dordrecht. Dat leek een gunstige ontwikkeling maar de commissieleden hadden buiten de waard gerekend, of beter, buiten de Koning.
 

#minister van KoloniŽn Jan Jacob Rochussen  
Niet zodra die hoorde van de nieuwe plannen ontstak hij in grote woede. Hij had zich, in tweede instantie, in het hoofd gezet dat Amsterdam de vestigingsplaats moest worden en daar bleef hij bij.
De commissie hoopte waarschijnlijk dat de storm zou gaan liggen en ging gewoon door met haar opdracht.
Ze werkte hard aan het plan voor een invalidenhuis, ze liet een gebouw tekenen, stelde toelatingseisen op, concipieerde een huisreglement, stelde een personeelsplan op, enzovoort. Intussen bleef ‘Koning Gorilla’ echter dwars liggen. Het ietwat potsierlijke gevolg van een en ander was, dat de commissie van Gheen in september 1858 een lijvig
eindrapport aan de minister aanbood, waarin alles was uitgewerkt, maar .… waarin een concrete bouwplek ontbrak.  Het ontwerp was sterk geÔnspireerd door het Parijse Hotel des Invalides: een groot huis met ruimte voor zeshonderd man, zowel manschappen als officieren, een uitvoerige staf en allerlei moderne voorzieningen.
Maar alle kwaliteiten van het plan ten spijt dreigde de zaak nu in een impasse te geraken en een stille dood te sterven. En misschien was het huis er inderdaad nooit gekomen als Minister Mijer in 1858 geen GG van IndiŽ was geworden. Hij werd bij die gelegenheid opgevolgd door J.J. Rochussen (1791-1871) en dat was een van de sterkste bestuurders uit zijn tijd. Hij was behalve minister van FinanciŽn ook al GG van IndiŽ geweest.
Het was een zeer energiek en doortastend man en bovendien was hij een vertrouweling van Koning Willem II geweest.
 
‘Duidelijk gesprek’
Deze Rochussen kon de Koning wel aan. Hij zocht hem op en had een uitvoerig onderhoud met de vertoornde majesteit. Daarvan is geen verslag gevonden, maar enkele maanden later schreef Rochussen aan Willem
III dat hem in het gesprek duidelijk was geworden dat de koning het met hem eens was dat er gťťn groot glanzend invalidenhuis ŗ la Parijs moest komen, maar iets kleiners en vooral ook goedkopers. Het moest een bescheiden huis worden: niet voor de zeshonderd militairen die de commissie bedacht had en al zeker niet voor officieren. Tweehonderd plaatsen was genoeg als men de intree-eisen wat opschroefde. De minister dacht aan ofwel minimaal Twintig tropenjaren en ouder dan zestig ofwel zwaar verminkt en arbeidsongeschikt.
Rochussen was niet flauw en meende dat het aan te stellen personeel aan dezelfde eisen moest voldoen als de op te nemen militairen. Zijn idee moet zijn geweest dat het huis kon draaien op zelfhulp en kameradenhulp.
Verder konden de kosten worden gedrukt als de bewoners van het invalidenhuis zelf actief meewerkten in de tuin of op een boerderij.
Men krijgt de indruk dat de minister een instelling voor ogen had, die min of meer werkte volgens de beginselen van de eerder aangestipte veenkoloniŽn.
Of de koning met dit plan was ingenomen, vermeldt de geschiedenis niet. Rochussen vroeg er ook niet naar, hij ging gewoon aan de slag.
 
Binnen de kortste keren had hij overeenstemming met de burgemeester van Utrecht over een geschikte plek. Toen de Koning dat te horen kreeg, reageerde hij weer eens impulsief: hij keerde zich tegen het plan en bood zijn landgoed Bronbeek aan als bouwplaats. dat moest worden bebouwd met een monumentaal gebouw dat aan Parijs deed denken en dat de wereld zou laten zien, hoe goed hij het met zijn soldaten meende.
Tevens stelde hij voor dat er een prijsvraag werd uitgeschreven onder de bouwkundestudenten in delft. Rochussen was de koning echter weer te vlug af: hij gaf de landsarchitect, de bekende Willem Nicolaas Rose (1801-1877) opdracht een huis te tekenen. Dit veel soberder opgezette huis is tussen 1860 en ‘62 inderdaad gebouwd.
 
Steeds een slag vůůr
Het huis dat Rochussen zich voorstelde was sober van buiten, maar modern van binnen. Dat betekende onder meer dat de onderofficieren met twee man een kamer deelden en de soldaten met zestien man. Het gebouw kreeg maar ťťn verdieping om de invaliden het trap lopen te besparen. Interessant is dat er inpandige toiletten kwamen en badkamers met niet alleen een bad maar ook een douche - dat was iets heel nieuws in die tijd. Net als bij het door hem ontworpen Coolsingelziekenhuis in Rotterdam had het huis een over de volle lengte doorlopende gang en grote, hoge ramen die overal licht en lucht konden brengen.
 
Gang in tehuis op de begane grond, ca 1870. (foto Pieter Oosterhuis, Koninklijk huis Archief) Slaapzaal manschappen op eerste verdieping (foto Pieter Oosterhuis, Koninklijk huis Archief)  
 
Rochussen pakte door en probeerde de koning steeds een slag voor te zijn. Die stuurde van zijn kant nog tijdens de bouw een militair naar het Hotel des Invalides in Parijs om te kijken hoe alles er daar uitzag. Dat was echter mosterd na de maaltijd en dat lijkt de koning bijzonder te hebben geŽrgerd.
 
De functie van het invalidenhuis in zijn eerste decennia
 
Zoveel hoofden….
Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat er verschillende betrokkenen bij de bouw van het invalidenhuis waren en dat die niet allemaal hetzelfde voor ogen hadden. De Koning wilde eerst een onderdak ergens achteraf en vervolgens een groots monumentaal gebouw met een sterke symbolische functie in de hoofdstad. De minister van KoloniŽn wilde vooral de werving bevorderen, al lijkt Mijer zeker ook oog te hebben gehad voor het ellendige lot van de oude KNILsoldaten.
   
Hij wilde daarom een mooi groot invalidenhuis en liet zich inspireren door het Hotel des Invalides in Parijs, waar de opgenomenen verpleging, verzorging en medische hulp kregen en zo mogelijk gerevalideerd werden. Zijn opvolger Rochussen wilde een soort minimumvoorziening, een klein huis alleen voor de allerergste gevallen (veertig dienstjaren en ouder dan 55 jaar of invalide). De opgenomene moest met werken zelf voor een deel in zijn onderhoud voorzien. Men krijgt de indruk dat hij zich heeft laten leiden door de werkverschaffingsprojecten in Drenthe.
 
Kort verblijf
Tegen die achtergrond is het natuurlijk heel interessant om te weten welke functie het huis in werkelijkheid kreeg. Daaruit kan dan misschien ook blijken wat de invaliden zelf wilden. Een volledig antwoord op de hier gestelde vragen kan bij gebrek aan gegevens helaas niet worden gegeven. Niettemin laten zich uit de zogeheten stamboeken op Bronbeek een aantal interessante dingen afleiden.
 
In de periode 1869-1900 (waartoe deze bijdrage zich beperkt) werden op Bronbeek niet minder dan 2550 militairen opgenomen. Dat is gemiddeld dus 85 nieuwe opnemingen per jaar. Een dergelijk hoog aantal was bij 200 plaatsen alleen maar mogelijk doordat de invaliden gemiddeld slechts 3,5 jaar bleven.
 
Maken we een frequentieverdeling van de opnemingen dan blijkt dat een verblijf van een en twee jaar het meeste voorkwam. Er zijn ook mannen die wel dertig jaar bleven, maar zij vormen een zeldzaamheid. Tachtig procent was na vijf jaar weer verdwenen. De lezer zou kunnen denken dat de grote doorstroom te wijten was aan het feit dat de invaliden zo uitgemergeld binnen kwamen dat ze binnen de kortste keren overleden. Dat is echter niet het geval geweest: de sterfte was betrekkelijk laag: slechts 20% van de opgenomenen overleed in het huis.
 
Aldus krijgt men het vermoeden dat Bronbeek als een tijdelijke opvang heeft gefunctioneerd, waar soldaten die net in Nederland terug waren tijdelijk onderdak vonden, omdat ze niet meteen wisten hoe het verder moest.
 
Eetzaal van de manschappen,ca 1870 (foto Pieter Oosterhuis, Koninklijk Huis Archief) Onderofficier in zijn kamer,ca 1870 (foto Pieter Oosterhuis, Koninklijk Huis Archief)  
 
Om meer duidelijkheid in deze zaak te krijgen werd nagegaan wanneer de militairen naar Bronbeek kwamen, of beter geformuleerd: hoe lang na hun ontslag uit de dienst de KNIL-soldaten kwamen. Daarbij bleek:
  • Slechts een derde kwam direct na terugkomst uit IndiŽ.
  • Een derde kwam binnen in de eerste vijf jaar na terugkomst.
  • 15% kwam echter nog na vijf ŗ tien jaar, en nog eens
  • 15 % na tien ŗ twintig jaar. Ze waren dan nog steeds geen 55 jaar.
  • Slechts enkelen kwamen pas dertig ŗ veertig jaar na uitdiensttreding
Nu zeggen deze cijfers niet veel als de leeftijden van de militairen niet worden verdisconteerd. Men kan zich immers voorstellen dat ouderen pas laat kwamen en snel overleden en dat de jongeren vroeg kwamen en lang bleven. Of omgekeerd, dat de ouderen eerst kwamen enz. Daarom heb ik geprobeerd  de opnemingen aan leeftijden te koppelen. Wat zien we dan?
 

Aantal jaren tussen ontslag KNIL en opneming Bronbeek

Aantal militairen

Gemiddelde leeftijd bij opname

Gemiddelde verblijfsduur

Overleden op Bronbeek

Vertrokken

< 5

1457

40, 5

2,8

186 (13%)

1271(81%)

6 - 10

442

47,9

3,7

98 (22%)

344 (78%)

11 - 15

178

53,7

2,7

20 (11%)

158 (89%)

> 16

405

61,3

2,5

118 (29%)

287 (67%)

▲ Verblijfsduur van 2.482 KNIL-soldaten op Bronbeek 1869-1900.
Uit de tabel blijkt dat de gemiddelde  leeftijd bij opneming lineair mee loopt met het aantal jaren dat men uit dienst is. Aangenomen mag dus worden dat de meesten rond hun twintigste al naar IndiŽ gingen en dat ze rond hun veertigste terug kwamen. Een deel van hen ging dan direct naar Bronbeek, maar bleef er slechts 2,8 jaar gemiddeld. Tweederde was na een jaar al weer weg. Tijdelijke adaptatieproblemen lijken ook een rol te hebben gespeeld bij de mannen die pas na tien of vijftien jaar hun toevlucht zochten: zij blijven ook maar twee ŗ drie jaar en ook hier geldt dat tweederde binnen een jaar weer weg was. Hetzelfde geldt voor de groep die pas na vijftien jaar kwam: ook zij blijven maar 2,5 jaar. Het aantal mannen dat in het huis overlijdt is wat groter dan in de andere categorieŽn, maar is nog steeds vrij laag: nog geen dertig procent.
Tijdelijke opvang
De conclusie lijkt dus te moeten zijn dat Bronbeek althans in de negentiende eeuw een tijdelijke opvangmogelijkheid bood voor veteranen van het KNIL. Sommigen maakten daarvan meteen gebruik nadat ze uit IndiŽ terug waren gekomen, anderen deden dat pas vele jaren later. Uit de leeftijden van de opgenomenen laat zich afleiden dat de meesten invalide zijn geweest – anders kwam men onder de 55 jaar immers niet binnen.
Het feit dat velen zo snel weer vertrokken (tweederde binnen een jaar na aankomst in het huis) zou kunnen betekenen dat men de soldaten ondanks hun magere pensioenen een ‘vrij‘ bestaan in de burgermaatschappij toch verkozen boven het militaire leven in een soort veredelde kazerne. Dat is een interessante bevinding, die nader onderzoek verdient. Zoals eerder gemeld was het leven in de burgermaatschappij voor een oudere die invalide in die dagen immers ook geen lolletje. Maar misschien zijn de soldaten met hun kleine pensioen toch gewilde kostgangers geweest voor mensen die zelf net niet konden rondkomen. Niet onmogelijk is ook dat de nieuwe Armenwet van 1854 de positie van de invalide soldaten verbeterd heeft.
Samenvatting
Samenvattend kan worden geconcludeerd dat Bronbeek in de eerste decennia van zijn bestaan duidelijk in een behoefte voorzag. Daarbij ging het echter om een andere functie dan door de oprichters was voorzien: het werd geen rusthuis waar moegestreden soldaten hun laatste jaren in rust konden slijten, maar een soort tijdelijke opvang. Het mag daarbij alleszins opmerkelijk heten dat de stichters van Bronbeek onbedoeld een voorziening schiepen die zijn tijd ver vooruit was. De moderne beginselen van zorgverlening, men denke aan flankerende zorg, flexibele zorg en zorg op maat werden al volop toegepast. Ook tegen de achtergrond van de problemen waarmee de Nederlandse gezondheidszorg te kampen heeft, is historisch onderzoek naar de functie van het Koloniaal Invalidenhuis Bronbeek dan ook alleszins de moeite waard.
Toon Kerkhoff (1946) studeerde geneeskunde
aan de universiteit te Nijmegen, thans Radboud
Universiteit. Van 1972 tot 1976 diende hij bij de
Koninklijke Landmacht. In die tijd schreef hij zijn
proefschrift ‘Over de geneeskundige verzorging
en het Staatse leger 1568-1795’ (Nijmegen, 1976).
Na een aantal jaren wetenschappelijk medewerker
aan het Nijmeegse Instituut voor Geschiedenis
der Geneeskunde bij prof. dr. D. de Moulin te
zijn geweest, stapte hij over naar de openbare gezondheidszorg.
Van 1990 tot 2006 was hij hoogleraar
aan de faculteit bestuurskunde van de Universiteit
Twente. In zijn vrije tijd schreef hij diverse publicaties over de
geschiedenis van de militaire geneeskunde.

 

   

◊◊◊

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
Stichting Vrienden van Bronbeek
Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum KTOMM Bronbeek 
     
mail: svvb1983@gmail.com
SVVB
 
 
© SVVB