NIEUWS
 
Bronbeek in de Tweede Wereldoorlog
geplaatst 4 mei 2015
(eerdere lezing van Niek Ravensbergen en artikel Arnhemse Courant 18 april 1946)
 
Wat gebeurde er in en rond het tehuis Bronbeek tijdens de Tweede Wereldoorlog?
70 jaar geleden bevalen de Duitsers alle ruim 90.000 Arnhemmers om de stad binnen 48 uur te verlaten. Een gigantische uittocht. Bronbeek, toch ook in Arnhem gelegen evacueerde niet.

 #Commandant Luitenant-Generaal (tit) Cornelis Adrianus Rijnders - Commandant Bronbeek tijdens de 2e wereldoorlog. Hij legde het bevel naast zich neer. Sterker nog, hij gaf op Bronbeek onderdak aan 80 Arnhemmers en de complete TBC-afdeling van het Gemeenteziekenhuis inclusief personeel. Volle bak. Nog twee maal weerstond Rijnders een herhaald evacuatiebevel,  met succes!

 
 
Download de Arnhemsche Courant van Donderdag 18 April 1946
Klik op: #bladzijde 1,   #bladzijde 2,   #bladzijde 3,   #bladzijde 4
(Het artikel is dankzij Joke Elfrink ook hieronder te lezen )
 
Bronbeek beleefde de bevrijding van Arnhem
 
De “bezetting”wist van geen wijken
 
Moed, volharding en vastberadenheid, het waren eigenschappen, welke de Bronbekers noodig hadden om hun tehuis te vrijwaren voor een Germaansche overheersching. Zij wisten van geen wijken toen het evacuatiebevel klonk, zoodat zij Arnhemmers bleven aan den rand van de ledige stad. Van hun ervaringen in den oorlogstijd en met name in den tijd toen Arnhem zonder leven was, vertelt u de Huismeester van Bronbeek, de heer J.D. Thie, die zoo vriendelijk was zijn herinneringen aan ons blad af te staan.
 
Gedurende de eersten vier jaren der Duitsche bezetting hadden wij geen last van onze “beschermers”. Zij bemoeiden zich niet met ons en bij een bezoek aan het museum betaalden zij den vastgestelde e toegangsprijs en gedroegen zich correct. 
 
Ook tegen het handhaven van de militaire uniform door de invaliden maakten zij geen bezwaar.
 
Wel namen zij ons mooie geluidsfilmapparaat met toebehooren in beslag, zij hadden dit noodig om hun mannen aan het oostfront afleiding te verschaffen. Op de vraag van den commandant, of onze oud-militairen dan geen afleiding behoefden, werd hem geantwoord, dat zoo dikwijls de inwoners van Bronbeek een propagandafilm van de gevechten aan het oostfront wenschten te zien zij dit slechts aan den Ortscommandant te Arnhem hadden te melden, dan zou deze den filmwagen zenden! Aangezien wij niet de minste belangstelling voor hun leugenfilms hadden, werd er door den commandant nimmer om gevraagd.
< Bronbeek 1940 eetzaal
Wat ons ten zeerste verwonderde, gezien de plunderzucht der Duitschers, is het feit, dat zij niets uit het museum weghaalden, niettegenstaande zich daarin toch zeer vele groote en kleinere bronzen en koperen kanonnen bevonden, benevens zeer vele kostbare schilderstukken en sabels, krissen en klewangs met gouden gevest en scheede.
 
Waarschijnlijk hebben wij dit te danken gehad aan hun aangeboren respect voor alles wat met het militarisme in verband staat, in het bijzonder ten opzichte van onze oud-Indische militairen. Dit laatste bleek n.l. hieruit, dat zoowel de onderofficieren als de soldaten, in stramme houding den militairen groet brachten als zij op het landgoed een van onze veteranen tegenkwamen, een groet die door de oud-strijders volkomen werd genegeerd.
 
De teleurstelling van September 1944
Toen kwam in September 1944 de Engelsche poging om met behulp van parachutisten Arnhem te bevrijden. Aanvankelijk ging alles goed. Arnhem was al spoedig voor het grootste gedeelte in geallieerde handen en de Duitschers, vooraf gegaan door eenige groote bussen vol Duitsche meiden, vluchtten reeds over den Velperweg en dus langs Bronbeek in oostelijke richting, onder hoongelach van onze Bronbekers.
 
De spanning onder de invaliden was zeer groot in die dagen en steeg naarmate de Engelschen dichterbij kwamen. Op de ontvangst van een bericht dat zij nog slechts 500 meters van Bronbeek af waren liet ik de vlaggen voor den dag halen en gereed maken om, als de commandant daartoe den last zou geven, ze te hijschen als de Engelschen ter hoogte van het landgoed zouden zijn aangekomen. Zoover zou het voorlopig echter nog niet komen. De Duitschers kregen nl. hulp van een in de buurt zijnde tankafdeeling en aangezien de Engelschen er niet in slaagden de parachutisten ter hulp te komen met pantsereenheden moesten zij langzaam maar zeker terugtrekken. Dit betekende voor ons een bitteren teleurstelling. Wij moesten onze vlaggen weer opbergen. Het machinegeweervuur werd langzamerhand minder goed hoorbaar en hield tenslotte geheel op.
 
Bronbeek evacueerde niet!
Enkele dagen daarna kwam het Duitsche bevel tot evacuatie van de Arnhemsche bevolking. Aangezien Bronbeek, hoewel op de uiterste grens gelegen, toch tot Arnhemsch gebied behoort, besliste de commandant na rijp beraad op Bronbeek te blijven en af te wachten wat verder zou geschieden. De eerste dagen gebeurde er op het landgoed niets, alleen zagen wij de ongelukkige Arnhemsche bevolking voorbij trekken. Het was een eindelooze stroom van burgers, belast en beladen of op allerlei voertuigen meevoerende wat zij van hun have en goed hadden kunnen medenemen. Onder deze ongelukkigen waren zeer veel ouden van dagen, moeders met verscheidene kleine kinderen en gebrekkigen. Een 80-tal dezer ongelukkigen vroeg op het landgoed onderdak voor den nacht. Dit werd door den commandant toegestaan, deze eene nacht werd eenige maanden, doch uiteindelijk werden de stumpers door den N.S.B.-burgemeester Hollaar toch nog genoodzaakt te vertrekken om hun lijdensweg te vervolgen.
 
Evacuee´s kregen gastvrijheid
Het verblijf dier evacuee´s op het landgoed bracht intusschen voor onze oudstrijders wel eenige afwisseling in hun bestaan mede. Kinderstemmen weerklonken door de gangen van het hoofdgebouw en als voorheen zagen zij weer vrouwen om zich heen. Velen onder hen bleken die afwisseling werkelijk op prijs te stellen en boden den evacuee´s hulp en steun, anderen daarentegen, verstokte vrijgezellen, bezagen dit alles met een zuur gezicht en treurden om de rust, die voorheen in de inrichting heerschte.
 
Het bleef echter niet bij de reeds opgenomen vluchtelingen , kort na hun opname op het landgoed, werd de geheele T.B.C. afdeeling van het Gemeentelijk Ziekenhuis te Arnhem met bijbehoorend verplegingspersoneel op Bronbeek ondergebracht. Voorts werd ook aan de gezinnen van het burgerpersoneel in het huis onderdak geboden. Toen geleek Bronbeek op alles, behalve op een rustig tehuis voor ouden van dagen, nu en dan had het erg veel weg van een bijenkorf.
 
Bommen veroorzaakten veel deining
De Duitschers lieten ons in die dagen nog met rust doch in de lucht boven het landgoed was het dagelijks een drukte van belang van Engelsche gevechtsvliegtuigen, die doende waren de Duitsche stellingen te verkennen en te verontrusten.
 
Op een namiddag in het laatste van September ´44 vloog een Engelsche bommenwerper, die kennelijk in nood verkeerde, heel laag over het landgoed en liet boven de weide voor het huis van den commandant vier groote bommen vallen. Deze sloegen groote kraters in de weide en de luchtdruk vernielde alle ruiten in de woningen van den commandant en den dokter+ zelfs stortten van eenige kamers de plafonds naar beneden. Ook aan het hoofdgebouw werd groote schade toegebracht, het meerendeel der ruiten werd vernield, de groote deur ingedrukt en ook een deel der plafonds moest het ontgelden. Geruimen tijd hing er een wolk van stof vermengd met fijne glassplinters in het gebouw en verscheidenen der inwoners werden door glasscherven licht gekwetst.
 
Kranige invaliden!
Die ontploffingen brachten vanzelfsprekend een geweldige onrust onder de gasten te weeg, doch de invaliden hielden zich kranig, gingen bijna onmiddellijk aan den slag ter opruiming van het puin der ingestorte plafonds en het dichten van de gaten ontstaan door de vernieling der ruiten. Aangezien het bij die vier ontploffingen bleef en het in de lucht ook rustiger werd, keerde de kalmte onder de vrouwen en kinderen terug en was dit leed ook weer geleden. Alleen de dokter en het verplegingspersoneel van het bij het huis behoorende hospitaal hadden geruimen tijd noodig om de gekwetsten middels verband en hechtpleister te verbinden, waardoor Bronbeek ging gelijken op een veldlazeret.
 
De volgende weken werd er met man en macht gewerkt om de vensters, waarvan de ruiten vernield waren, afdoende dicht te maken. Hiervoor werd gebruik gemaakt van een bonte verzameling van materialen zooals planken, zink, bordpapier, vloerzeil, asphaltpapier en dergelijke. Het resultaat van dit werk maakte Bronbeek er niet mooier en prettiger op, doch wij bleven liever hier dan te evacueeren.
 
Nieuw evacuatiebevel geweigerd
De minder prettige indrukken opgedaan door bovenverhaalde gebeurtenis waren nauwelijks enigszins op den achtergrond geraakt, toen er weer nieuwe moeilijkheden kwamen opdagen en nu in de vorm van een stel Duitschers, die den commandant aan kwamen zeggen dat Bronbeek ontruimd moest worden. Allen zouden de gebouwen moeten verlaten. De commandant betoogde dat dit onmogelijk was aangezien wij onder onze 140 invaliden er een dertigtal telden die, meer dan 80 jaren oud, zich slechts met behulp van een of twee stokken konden voortbewegen. Bovendien bevonden zich in het ziekenhuis 25 zieken, waaronder eenige geheel verlamden en blinden. De Duitschers verdwenen weer doch na eenigen tijd kwamen zij terug met hun eisch, doch wederom hetzelfde betoog en hun aftocht.
Hoewel de moffen Bronbeek zeer gaarne ontruimd zagen, wilden zij toch blijkbaar niet overgaan tot geweldmiddelen, maar begonnen met een systeem van plagerijen en het aandoen van overlast.
 
Toen kwamen plagerijen
Zoowel officieren als minderen lieten alle correctheid varen bij het betreden van het landgoed , het museum werd bezocht zonder de gebruikelijke betaling, terwijl zij er ook niet meer aan dachten de oudstrijders den militairen groet te brengen. Brutaalweg drongen zij in alle lokalen binnen, deden opmetingen, vroegen naar den inhoud der kookketels van de keuken, kortom gedroegen zich alsof zij plan hadden den anderen dag reeds het gebouw te bezetten.
 
Evacuatiegevaar voorloopig bezworen
 
Toen onzen commandant die plagerijen begonnen te vervelen, beklaagde hij zich bij het Departement van Koloniën te Zutfen en plotseling hield alle bezoek van de Duitsche plaaggeesten op. Achteraf hoorden wij, dat zij de oostgrens van Arnhem verlegd hadden Westelijk van het landgoed, waardoor Bronbeek kwam te liggen buiten het gebied van Arnhem en er dus geen verplichting tot evacuatie meer bestond.
 
Lieten de Duitschers ons nu in het Huis verder met rust, het landgoed bleven zij beschouwen als hun eigendom. Zij groeven rond de gebouwen loopgraven, gebruikten de weide als parkeerplaats voor hun motorvoertuigen en plaatsten hun veldkeukens naast onze eigen keuken. Dit laatste vooral gaf ons groote ergernis. Ons voedsel werd steeds minder en slechter : tenslotte moesten wij het doen grootendeels met suikerbieten : terwijl wij de moffen dagelijks overdadig zagen schransen van hetgeen zij van onze boeren geroofd hadden op hun schandelijke plundertochten.
 
In afwachting der bevrijding
Hoewel wij allen vol vertrouwen waren dat de Engelschen uiteindelijk zouden komen en een einde maken aan de Duitsche heerschappij, viel het wachten op dat tijdstip ons toch erg lang. Vol ongeduld werd naar de aankomst der bevrijders verlangd en uitgezien. Dat de Engelschen niet veraf meer waren konden wij opmaken uit het kanongedonder. Nu en dan werd dit zo hevig, dat wij meenden dat het oogenblik der bevrijding aanstaande was, doch als het vuren dan weer verminderde en er geen merkbare verandering in den toestand kwam, zonken wij teleurgesteld weer terug in onze berustende afwachting.
 
Arnhem wordt versterkt
Dat de Duitschers zich echter lang niet veilig gevoelden, bleek uit de door hen getroffen maatregelen. Zoo werden de landerijen tusschen Rijn en Waal onder water gezet, de toegangen tot Arnhem door bewaakte slagboomen afgesloten en natuurlijk overal bunkers en versperringen gebouwd. Ook werd ons aangezegd dat alle uitgangen in de omheining van het landgoed moesten gesloten worden en niemand het meer mocht verlaten of binnengaan. Van dat moment af waren wij, althans naar de meening van de Duitschers, geheel van de buitenwereld afgesloten.
 
Radio Londen klonk door Bronbeek
Hierin vergisten zij zich echter deerlijk; ik had mijn radio niet ingeleverd en luisterde steeds in een verborgen schuilhoek naar de nieuwsberichten en gaf deze schriftelijk door aan de officieren van het huis. Zoodoende bleven wij op de hoogte van den oorlogstoestand, zoowel in als buiten ons land, leefden geheel mede en waren dolgelukkig als de nederlagen der Duitschers op de verschillende fronten werden gemeld. Met het opvangen en verspreiden dier berichten, moest ik echter uiterst voorzichtig zijn, zooals later bleek. Onder het verplegingspersoneel van het hospitaal bevond zich een verpleger die met z’n vrouw op het huis verbleef en die beiden fanatieke N.S.B.-ers bleken te zijn. Behalve hen hadden wij ook nog treurig genoeg, een drietal N.S.B.-ers onder de oudstrijders. Onder dit drietal was er een die op 70-jarigen leeftijd zich van zijn echtgenoote liet scheiden, omdat zij, goede Nederlandsche als zij was, fel gekant was tegen de N.S.B. en niets met dat stel landverraders te maken wilde hebben. Voor deze lieden moesten wij terdege op onze hoede zijn; daar zij alles wat op Bronbeek gezegd werd ten nadeele der Duitschers en N.S.B.-ers, en dat was niet weinig, overbriefden aan den kringleider der N.S.B. Eveneens beklaagden zij zich daar over sommige maatregelen genomen door de leiding van het huis, wat leidde tot een waarschuwing van den Ortskommandant, dat de inwonenden die tot de N.S.B. behoorden op gelijke wijze moesten worden behandeld als de overigen, daar hij anders zijn houding ten opzichte van Bronbeek zou wijzigen. Voor het welzijn onzer invaliden was oppassen dus de boodschap.
 
Ook op andere wijze was voor gemeenschap met de buitenwereld zorg gedragen. Op een niet in het oog vallende plaats in de omheining aan de achterzijde van het landgoed was een geheime doorgang gemaakt, waardoor toegang voor onze leveranciers mogelijk was en waardoor wij het landgoed konden verlaten als het noodig was. Des Zondags werd van dit poortje gebruik gemaakt door den dominee en den pastoor, zoodat de godsdienstoefeningen voor de oudjes toch doorgang konden vinden. Ook enkele goede vaderlanders, die geweigerd hadden te evacueeren en zich in hunne dicht bij het landgoed gelegen woningen schuil hielden, maakten van dit poortje gebruik om in onze kapel ter kerke te gaan.
 
Schraalhans keukenmeester
De voedselvoorziening werd echter met den dag slechter. De laatste maanden van de bezetting leefden wij bijna uitsluitend van suikerbieten. Ons dagrantsoen bestond uit 120 gram brood en 300 gram aardappelen of suikerbieten; vetten en eiwitten ontbraken. De sterfte onder de veteranen steeg dan ook aanmerkelijk. In zeven maanden tijds overleden er 22, tegen een aantal van 8 in eenzelfde tijdsverloop in normale tijden.
Als gevolg van het feit, dat de laatste maand van de bezetting de lijkwagen niet werd toegelaten op het landgoed, moesten wij onze dooden op het eigen terrein begraven.
 
Plunderende “Opper-Germanen”
Het plunderen en rooven door de moffen in de verlaten huizen in de nabijheid van Bronbeek kon door ons heel goed worden waargenomen. Zij sleepten alles weg wat van hun gading was en wat door hen niet kon worden medegenomen werd buiten de huizen geworpen en blootgesteld aan vernieling door weer en wind. Het was een indroevig beeld van verwoesting en akelig stil in deze buurt.
Alleen de geallieerde luchtmacht zorgde gedurende de wintermaanden voor enige sensatie door het overvliegen der gevechtsvliegers en het bestoken met hun mitrailleurs van de Duitschers, overal waar deze genesteld waren of waar de vliegers maar dachten dat zij zouden kunnen zitten. Ook het overvliegen van de geweldige aantallen bombardementsvliegtuigen in de richting Duitschland had aller belangstelling.
 
Het einde nabij
In het voorjaar van 1945 werden de beschietingen uit de lucht veel intensiever, terwijl ook het kanongebulder heviger werd en het naar ons toescheen dichterbij kwam. Onze hoop op een spoedige bevrijding leefde weer op.
 
De Duitschers voelden zich allesbehalve op hun gemak, hetgeen te zien was aan zenuwachtig hen en weer gerij en geloop.
Kort voor het einde kreeg de commandant wederom het bevel om Bronbeek te ontruimen. Het heette nu dat er in het huis naar de geallieerde zenders werd geluisterd, wij nog steeds menschen die hadden moeten evacueeren onderdak verschaften en dat het overgroote deel van de inwoners van Bronbeek pro Engelsch was. Dit bevel hadden wij dus te danken aan de verraderlijke N.S.B.-ers, die wij zoo onfortuinlijk waren te moeten herbergen. Er werd echter aan het ontruimingsbevel door ons geen gevolg gegeven en de Duitschers zouden geen toegang meer krijgen om ons er met geweld uit te zetten, want den volgenden dag reeds kwam voor hen het begin van het einde. Nadat zij den geheelen dag fel bestookt waren vanuit de lucht, nam het geallieerde artillerievuur tegen den avond in kracht toe en allen kregen het gevoel dat de eindaanval nu ging komen. Het vuren werd hoe langer hoe heviger, de gebouwen stonden te beven op hun grondvesten. Een regen van granaatscherven vloog over het landgoed, granaten sloegen hier en daar op het terrein in en richtten veel schade aan aan de boomen. Van de zich in de nabijheid van Bonbeek bevindende huizen gingen er eenige in vlammen op, waardoor de lucht fel rood gekleurd werd, wat vooral bij avond en nacht een angstig gezicht opleverde. Van slapen kwam natuurlijk niets, aangezien wij steeds verdacht moesten blijven op voltreffers op het huis.
 
Zoo ging de eerste nacht voorbij. Den volgenden dag werd het artillerievuur nog heviger. De moffen trokken blijkbaar terug in een richting gelegen achter Bronbeek, want de granaten vlogen geregeld over het huis heen. Het gebouw werd herhaaldelijk door de rondvliegende scherven geraakt en op menige plek beschadigd. Het is ongetwijfeld aan den soliden bouw te danken dat er geen muren zijn ingestort. Menige scherf vond zijn weg door de vensters en het was dan ook allesbehalve veilig in de vertrekken gelegen aan de voorzijde van het gebouw, waaronder behooren alle slaapzalen, kantoren, magazijnen en eetzaal. Het was daar werkelijk levensgevaarlijk!
 
Oud-strijders zonder vrees
Op een gegeven moment vlogen er kleine bommen door de ramen, die ontzettend veel rook verspreidden en zoo heet waren dat zij brand veroorzaakten. Onze oud-strijders toonden zich echter nergens bang voor. Het was alsof zij zich verbeeldden weer jong te zijn en bezig waren een benteng tegen den vijand te verdedigen. Met de grootste koelbloedigheid werden de gevaarlijke projectielen met behulp van een blik opgeraapt en weder het raam uitgeworpen. Er waren zelfs onverschillige klanten onder, die zich niet ontzagen, niet-ontplofte granaten z.g. blindgangers, die op het terrein terecht kwamen op te gaan halen, ondanks het hevige vuur. Twee invaliden, geëmployeerd in het hospitaal, doch gelegerd in het hoofdgebouw, liepen alsof er niets aan de hand was door den schervenregen naar en van hun werk en werden dan ook beiden, gelukkig niet ernstig getroffen, één aan de hals, de ander aan een hand. Toen op een gegeven oogenblik een granaat juist voor de koestal ontplofte en muur en ramen zwaar beschadigd werden en het gevaar dat de geheele boerderij in puin zou komen te liggen geheel niet denkbeeldig was, boden onmiddellijk eenige onzer invaliden zich aan om de koeien en het paard uit de bedreigde stal te gaan halen en naar een veilige plaats te brengen. Des namiddags van den tweeden dag kreeg ons hospitaal een paar voltreffers, die door den muur aan den voorkant binnenkwamen, dwars door het geheele gebouw gingen om er aan de achterzijde uit te komen. Hierdoor werden de muren en het plafond zoodanig beschadigd, dat een langer verblijf daarin voor de zieken onmogelijk werd en het hospitaal moest worden ontruimd. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Onder de zieken waren er verscheidene, die niet konden loopen en dus met krib en al vervoerd moesten worden. Het artillerievuur maakte de ruimte, gelegen tusschen het hospitaal en het hoofdgebouw uiterst gevaarlijk, maar er bestond geen andere weg.
< Huismeester onderluitenant Dijksterhuis en vijf bewoners voor de ingang van Bronbeek, 15 juni 1935.
 
Benauwde ogenblikken
 
Vele oudstrijders stelden zich, ondanks het levensgevaar, toch beschikbaar om hun zieke kameraden in veiligheid te brengen. Van een vuurpauze maakten zij gebruik om het huis te verlaten en zoo snel als het hun maar mogelijk was in de richting van het hospitaal te loopen. Kwamen er dan weer granaten aansuizen, dan wierpen zij zich plat ter aarde om onmiddellijk weer voort te snellen als er weer een vuurpauze kwam. Zoo werkten zij eenige uren achtereen en mochten het genoegen smaken, dank zij hun opofferend werk, de zieken veilig geborgen te weten. Ondertusschen hadden zij ook nog een begin van brand moesten blusschen in het hospitaal, ontstaan in een stapel matrassen door de bovengemelde kleine brandbommen.
 
Dat Bronbeek nog bestaat is ongetwijfeld te danken aan het kordate optreden van onze invaliden. Hadden zij zich niet zo kraanig geweerd in den strijd tegen de menigte brandbommen, het lijdt geen twijfel dat het met Bronbeek gegaan zou zijn als met vele der omringende huizen. Zij hebben hun tehuis, Bronbeek, door hun moedig optreden weten te sparen voor vernieling en laten zien dat, hoe oud zij ook mogen zijn, de goede krijgsmansgeest nog in hen leeft en zij als het er op aankomt, in moed, zelfopoffering en vastberadenheid voor de jongeren niet behoeven onder te doen.
 
Laaiend vuur en granatenregen
De geallieerde aanval ging ondertusschen gedurende den geheelen tweeden nacht in al zijn hevigheid door. Er was den geheelen nacht door een donkerroode gloed in de lucht boven Bronbeek en omgeving en herhaaldelijk zagen wij groote wolken vonken de lucht ingeslingerd worden als de brandende huizen met groot geraas instortten. Overal rondom ons hoorden wij de granaten inslaan. Ook dezen nacht werd er niet geslapen en bleven wij op alle gebeurlijkheden voorbereid, maar werden gelukkig voor een ramp gespaard. Wij kregen den indruk dat de Engelsche artillerie ons spaarde, het zou voor hen toch een klein kunstje zijn geweest, een groot complex gebouwen als dat van Bronbeek in puin te schieten.
 
De Tommies zijn er!
In den loop van den morgen van den derden dag hield het kanonvuur plotseling op, en hoorden wij alleen nog maar geweer- en mitrailleurvuur. De Duitschers hadden zich van den verkeersweg van Arnhem naar Velp teruggetrokken achter de omheining van Bronbeek en schoten op alles wat zich op het landgoed bewoog, ook op onze invaliden, gelukkig zonder een van hen te raken.
< Bewoners en personeel van Bronbeek juichen hun Canadese bevrijders toe, 10 april 1945.
Tegen den middag hield ook dit vuren geheel op en begonnen er geruchten te loopen, dat de Engelschen zeer dichtbij waren. Vol spanning stond iedereen door de ramen uit te kijken en eindelijk tegen drie uur in den middag namen wij de eerste patrouilles der Engelschen waar, het landgoed passerende, hun stenguns tot vuren gereed houdend, spiedend naar den vijand, Een luid gejuich van ons begroette deze eerstelingen der bevrijders en onze blijdschap kende geen grenzen toen de patrouilles even later gevolgd werden door een groote tank. Wij allen spoedden ons naar den grooten weg om onze bevrijders te begroeten en te danken. De tank stopte voor het landgoed, de bemanning lachte en deelden al spoedig sigaretten en tabletten chocolade uit.
 
Even wachten met vlagvertoon
Ik stelde voor onmiddellijk de vlaggen te hijschen doch onze commandant ging hiermede niet accoord; hij wilde wachten. De moffen waren nog te dicht in de buurt, eerst wanneer hij van Engelsche zijde de verzekering zou hebben ontvangen dat de vijand definitief verdreven was zou hij order geven tot het hijschen der driekleur. De Engelschen oordeelden het ook verstandig daarmede te wachten. Voor dien dag werd de vervolging van den vijand gestaakt en zij betrokken hun kwartieren in de ledigstaande woningen in de nabijheid van Bronbeek. Wij hoorden hen al spoedig muziek maken, zingen en lachen alsof zij voor hun plezier uit waren, terwijl de vijand op een driehonderd meters afstand nog stand hield en hen af en toe nog onder vuur nam. Maar ook wij waren in een vroolijke stemming. Wij voelden ons van een zwaren last bevrijd. Onze oudstrijders waren zo jolig als jonge kerels en zongen en dansten van uitgelatenheid. Des avonds sprak onze commandant de invaliden toe, een toespraak die voorafgegaan en gevolgd werd door het zingen van het “Wilhelmus”en een driewerf “hoera”op Hare Majesteit de koningin. Inderhaast werd een gezellige avond georganiseerd, welke bijeenkomst werd bijgewoond door eenige Engelschen die begrijpelijk zeer gevierd werden.
 
De vlag gaat uit!
Ook den volgenden dag – een Zondag – lieten de Engelschen de Duitschers nog met rust doch in den vroegen morgen van den daarop volgenden dag openden zij een hevig bombardement op Velp waar de moffen nog steeds hun stellingen hadden. Het hoofdgebouw stond weer te schudden op zijn grondvesten of het elk oogenblik zou instorten. Wij maakten ons echter geen zorgen meer. Na enkele uren stormden de Engelsche tanks voorbij in de richting van Velp en precies om 10 uur kregen wij het verblijdende bericht dat nu ook die plaats bevrijd was en dat de vlaggen nu rustig konden worden geheschen daar er geen schijn van kans voor de moffen meer over bleef om de Engelschen terug te slaan.
 
Op hetzelfde oogenblik dat dat bericht binnenkwam meldden zich twee leden van de verzetsbeweging; een dezer twee was een politieman die als evacué op Bronbeek onderdak had genoten en dus volkomen van de interne aangelegenheden van Bronbeek op de hoogte was. Zij kwamen om de zich onder het personeel en invaliden bevindende N.S.B.-ers te arresteeren.
 
Ontroerende plechtigheid
Zoo als te begrijpen valt gebeurde het hijschen der vlaggen op het commandantshuis en het hoofdgebouw met de noodige plechtigheid.
De commandant liet alle invaliden, die daartoe in staat waren in groot tenue, alle eereteekenen op de borst, aantreden en vormde van hen een eerewacht. Onder hen bevonden zich ridders der militaire Willemsorde, begiftigden met de Atjeh-medaille en het Lombokkruis en verscheidenen met vijf of meer gespen op het lint van hun expeditiekruis. Wanneer men nu weet, dat voor het deelnemen aan elke belangrijke expeditie een gesp werd uitgereikt dan is het duidelijk dat deze veteranen in hun jonge jaren heel wat gepresteerd moeten hebben ten bate van het vaderland.
 
Bij deze vlaggenparade en onder de door den commandant gehouden gloedvolle redevoering kwam er weer schittering in de oogen van onze oudstrijders; zij strekten hun lichamen en staken hun borst vooruit als voorheen in hun jonge jaren als zij na een succesvolle operatie tegen den vijand door hun commandanten goedkeurend werden toegesproken.
Keurig gericht stonden zij op één lijn in de houding en brachten stram den militairen groet toen onze vlaggen voor het eerst na zoveel bange jaaren van verdrukking omhooggingen om weer als voorheen fier in den wind te wapperen en onze herkregen vrijheid te verkondigen.
 
Dit was een plechtig en aandoenlijk oogenblik waarbij niet alleen de aanwezige dames, doch ook vele van onze oudstrijders hun gevoel niet meer de baas konden blijven. Dankbaarheid, blijdschap en trots op onze vlag brachten tranen in veler oogen. Tijdens en na het hijschen der vlaggen legden eenige Engelsche persfotografen de gebeurtenissen op de gevoelige plaat vast en beloofden ons afdrukken op te zullen zenden, een belofte die helaas tot nu toe niet is ingelost geworden. Dit nu is te betreuren, daar wij zooals te begrijpen gaarne een blijvende herinnering gehad zouden hebben aan deze voor ons zoo gewichtige gebeurtenis.
 
Dank aan hen, die Bronbeek behielden
 
Als slot van dit relaas wil ik nog even vaststellen, dat, alhoewel het onzen oud-strijders niet gegeven was den oorlog te helpen winnen, zij toch ongetwijfeld de eer voor zich mogen opeischen, dat het aan hun moed, standvastigheid en opofferingsgezindheid te danken is, dat hun tehuis Bronbeek, zich nog fier op zijn grondvesten verheft en in de bange laatste maanden der bezetting niet het lot heeft moeten deelen van zoo menig ander prachtig gebouw in Arnhem en overige deelen van ons vaderland!
  Koningin Wilhelmina bezoekt Bronbeek 1945
 
◊-foto's van 150 jaar Bronbeek
◊-film 20 minuten, Niek Ravensbergen over Bronbeek in de 2e WO.
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

 
 
Stichting Vrienden van Bronbeek
Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum KTOMM Bronbeek    
  
 mail:  svvb@kpnmail.nl
                                                             
SVVB
 
 
 @ SVVB