Nieuws 15 aug 2014
 
Interview Hella/Geertje met dhr. J. Aarts,
Bronbeekbewoner en oud KNIL militair.
 

 

Artikel gebaseerd op een gesprek met Bronbeekbewoner Johannes Aarts, geboren 28 maart 1921 en sinds november 2013 bewoner van Bronbeek.

Al sinds 1981 is hij weduwnaar. Aarts heeft een dochter (+ partner),  zoon en schoondochter en drie kleinkinderen. Hij woonde tot zijn vertrek naar Bronbeek bij zijn dochter. Zoals op zijn 'Staat van Dienst' is vermeld, ging hij als 18-jarige jongen in opleiding in Nijmegen om KNIL-militair te worden.

 

KNIL-stamboeknummer 96239

 
KOLONIALEN
De opleiding in de Prins Hendrik-kazerne te Nijmegen duurde bijna 6 maanden. Hij werd op 5 januari 1940 geschikt bevonden om naar IndiŽ te gaan, vertrok op 29 januari met de Marnix van Sint Aldegonde en werd fuselier bij het 1e Depot Bataljon. Deze soldaten van het KNIL werden in de volksmond kolonialen genoemd.
 
Tijdens hun opleiding werden ze voorbereid op het tropische IndiŽ. Ze trainden veldmarsen, beoefenden veel gymnastieksport en kregen ook lessen in schermen. Ze leerden Maleis en kregen tweemaal per week Indisch eten. Nijmegenaren konden in de omgeving van de kazerne goed ruiken, wanneer er nasi werd gegeten. Opmerkelijk is dat  de heer Aarts een paar maanden voordat de Duitsers ons land binnenvielen, naar Nederlands-IndiŽ vertrok. Het bericht dat onze buren, de Duitsers, ons land hadden bezet, was afschuwelijk, vertelt hij. Hij kon zich er geen voorstelling van maken.
 
Na de opleiding in Nijmegen gingen de soldaten naar Nederlands-IndiŽ voor een vervolgopleiding in Bandung. Aarts zou tot de opheffing bij het KNIL blijven.
 
Het waren crisisjaren, met veel armoede. Aarts kwam uit een groot gezin met 4 broers, zijn vader was zeilenmaker. Hij zag op een dag een aanplakbiljet van het KNIL en bedacht dat dit voor hem een uitkomst zou zijn.
 
Op 8 maart 1942 werd hij door de Japanners in Malang gevangen genomen. Vervolgens kwam hij in krijgsgevangenschap terecht en werkte hij als prisoner of war (POW) aan de Birma-Siam spoorlijn.
 
 
In 1936 bereikte het aantal werklozen
in Nederland een hoogtepunt van 480.000.
 
In deze crisisjaren werd er dan ook volop aan K.N.I.L. werving gedaan. Velen kozen voor een veilig inkomen en gingen zodoende in het Koninklijk Nederlandsch Indonesisch Leger.

I

Het aanplakbiljet beloofde handgeld, gratis kost, inwoning en doktersbehandeling, medicijnen en een goed pensioen. Als voorbeeld van de toenmalige armoede in Nederland vertelt Aarts dat in zijn omgeving (Friesland) vrouwen op het land bevielen en daarna voortgingen met aardappelrooien. Het kind dat net geboren was, werd op de rug meegesjouwd.            

 

Hij ging naar Nederlands-IndiŽ, maar wist weinig van het land. Opvallend vond hij dat kinderen daar precies wisten waar Dokkum te vinden was. Maar de kinderen hier in Nederland wisten niet waar Jakarta lag. Zijn eerste indrukken na aankomst: de warmte, de bloemen, de geuren op de pasar, heerlijk eten. Behalve de reuk van trassi, die vond hij wat minder.

Johannes Aarts: op 18-jarige leeftijd naar het KNIL
 

BLOND

Gedurende de jaren voor de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-IndiŽ heeft hij het goed naar zijn zin gehad. Na het bestaan als arme sloeber in crisistijd in Leeuwarden voelde hij zich als KNIL-militair in Nederlands-IndiŽ een rijk man. Hij hoefde zich geen zorgen meer te maken over eten en medicijnen. De inlandse bevolking zag de KNIL-militairen graag. Dat was niet zo bij de Europeanen die daar rijk geworden waren. ‘In hun ogen waren wij niets.’ Aarts werd snel bevorderd, van fuselier naar brigadier op 15 juni 1941. Hij ging over naar het IIIe bataljon infanterie.

 
Hij was toen vrijgezel, vond de donkerharige vrouwen mooi en beloofde zichzelf ooit te trouwen met zo’n schone. ‘Het mooie is’, zegt hij, ‘dat ik later in Nederland juist op de meest blonde vrouw verliefd werd die er te vinden was, en met haar ben ik getrouwd.’
 

Na zijn opleiding en bevordering ging hij als instructeur naar Soerabaya. Er waren ook veel Ambonezen in dienst van het KNIL, hij moest daarom lesgeven in het Maleis. Dat beheerste hij nog niet zo goed, maar in zijn groepen zaten ook Ambonezen die een beetje Nederlands kenden. Dus zij konden elkaar helpen.

 
In 1942 was het uit met het prettige leven, Japan viel Nederlands-IndiŽ binnen. ‘De voorlichting die wij hadden gekregen, klopte helemaal niet. Ons was gezegd dat Japanners geen goede soldaten konden zijn vanwege hun lengte, dat zij niet goed konden zien (spleetogen) en slecht konden schieten. Nou, dat was allemaal absoluut niet waar. Japanners waren geoefende soldaten. Zij hadden oorlogen gevoerd in andere landen, gedeelten van Oost-China waren al door hen bezet en Korea was in 1910 geannexeerd.’
 
‘We werden opgepakt in maart 1942 en in afzondering gehouden in Malang. De jap begreep niet dat wij ons zomaar overgaven. Wij hadden toch ook trouw beloofd aan onze koningin. Als een jap gedood wordt door een kogel of een zwaard, dan komt hij zeker in de Japanse hemel, zo dachten zij. Ons  vonden ze daarentegen maar laf.’ Zo ongeveer begon zijn krijgsgevangenschap.
 
Uiteindelijk werden ze in een schip geperst en wisten ze niet waar zij naartoe gingen. Deze schepen werden ook wel de ‘hellships’ genoemd vanwege de onmenselijke omstandigheden aan boord. Ze waren vaak het doelwit van geallieerde aanvallen. Een gelukje was dat de kapitein van ons schip een navigatiefout had gemaakt, hierdoor kwamen wij via een omweg in Birma.
 
Wat hem het meest dwars zit, is de vernedering en de mishandelingen om niets, die zij moesten ondergaan. Daar was het buigen en groeten het minst erge van. ‘Als je ooit zo bent getrapt en vernederd, dan vergeet je dat nooit meer.
 

BIRMA/SIAM SPOORWEG

‘We werden tewerkgesteld om een spoorlijn te bouwen De Japanners wilden de bestaande spoorweg in Birma, van Rangoon naar Moulmein uitbreiden met een verbinding naar Bangkok in Thailand. Deze uitbreiding bestond uit de aanleg van 415 kilometer nieuwe spoorweg.

 
Aarts: ‘Toen wij uiteindelijk daadwerkelijk tewerk gesteld werden aan de spoorlijn kregen we een handjevol rijst per dag per man. Daar konden de meeste mannen niet van leven. Ik ben maar een klein mannetje, dus heb minder nodig. Dat ik het overleefd heb, is een wonder. Jappen zagen het liefst grote kerels. En die moesten hard werken. De kleinere mannen, die net zo groot als zij waren, hadden iets meer geluk omdat de Jappen als eerste naar die groten keken en die eruit pikten. Een tijdje was er hulp van olifanten die het zware werk deden.’ Aarts vertelt dat een Japanner elke dag een stuk van zijn rijstbal afbrak en aan een olifant gaf. Tot deze japanner ermee stopte. Toen heeft die olifant hem doodgeslagen tegen een boom. Daarmee kwam een einde aan de hulp van de olifanten. Het slepen van bomen moest nu met mankracht worden gedaan, en die was er genoeg in de ogen van de jap. Dat betekende bomen slepen over en door oerwoud, ravijnen, bergen, dalen en heuvels. Het tropisch klimaat was zeer zwaar. ‘We moesten overgangen over ravijnen bouwen met bomen die daarvoor geschikt waren.’
 

We vragen hem enkele keren hoe zijn periode als krijgsgevangene voelt. Je bent immers jong en wordt steeds vernederd. Aarts vertelt dat je onder zulke omstandigheden weinig nadenkt, dat je alleen maar bezig bent met eten, en hoe je daaraan moet komen. Hij herhaalt dit verschillende keren: in de overlevingsmodus, niet begrijpende waarom hij zo behandeld werd, verder altijd proberende genoeg eten binnen te krijgen.

 

Gelukkig hadden KNIL-militairen kennis van de tropische natuur, van de planten en dieren. Ze wisten van de Indische jongens wat ze wel en niet konden eten. Engelse krijgsgevangenen die hen bezig zagen, zeiden: “You Dutch look like ruddy cows …..those Dutch they eat grass just like cows.“

Hij vertelt dat ze op een gegeven moment een veld Poejang pait vonden. Die smaken naar asperges. ‘We vraten ons er aan kapot. Dat was feest. Je wilt blijven leven en zoekt alles om in leven te blijven.’ Hij begint te lachen, omdat hij zich nog een bijzonder voorval herinnert: hij zei tegen een jap Hansjdo benjo benjo- ik moet poepen. De jap gaf toestemming. Vervolgens naar buiten, richting rivier. Hij wist dat daar inlanders stonden, die eieren verkochten. Teruggekomen geloofde de commandant niet dat hij gedaan had wat hij had gezegd. De jap ging dit samen met hem buiten controleren. Aarts liet hem daarop een olifantendrol zien, de man trapte daarin en hij kon gaan. Je stond eigenlijk versteld dat dat toegestaan werd, zegt Aarts.

 
‘Die rivier bevatte visjes en als je een zweer of een ander soort wond had, gingen we daarmee het water in. De visjes knabbelden de wond mooi schoon.’ Aarts heeft een litteken van een bajonet, en zoals veel gevangenen heeft hij ook tropenzweren gehad.
 
’s Morgens moesten we eerst op appťl staan. Luid kiri roepend. Iedereen riep zijn nummer in het Japans. Als een nummer ontbrak (man overleden bijvoorbeeld) duurde de telling uren, en dat in de hete zon. Er werd opnieuw geteld en gezocht naar de gevangene en daarna begon het tellen weer.
 
Aarts vertelt dat ze een keer contact met ‘thuis’ mochten hebben. Ze kregen een voorbedrukte ansichtkaart van de jap, helemaal bedrukt met klaargemaakte zinnen
 
Je hoefde er alleen maar een kruisje achter zetten. Bijvoorbeeld: Wij zijn zo gezond als een vis …  en dan een kruisje. Als je dat niet deed, werd de kaart kapot gescheurd en kon je klappen krijgen. Maar je probeerde toch wel dingen duidelijk te maken door stippen op de kaart te plaatsen. De Jappen wisten toch niet wat dat betekende.Dan zette je soms twee stippen aan de ene kant en twee stippen aan de andere kant. En dan ging het naar Holland.
 
Hoe merkte u dat Japan capituleerde 15 augustus 1945? Aarts: ‘Ik was op dat moment in een gevangenkamp in Nong-Pladuk (Siam) Over de hekken keken we naar de Japanners en zagen hoe zij hun geweren uit elkaar haalden, dus ze vernielden hun eigen wapens. Ze gooiden ze in de lucht. En later door een radiobericht … er was een soort radio in het kamp, die angstvallig verborgen gehouden werd. Wij (mijn maten en ik) wisten niet eens van het bestaan van dat ding. Uiteindelijk kwamen de Jappen het vertellen … We zagen jappen wegtrekken, er bleven minder mensen over om ons te beschermen. Want ondanks de bevrijding konden we toen de kampen nog niet uit. Er heerste een vrijheidsstrijd in Nederlands-IndiŽ die wij kennen als de politionele acties.’
 
BERSIAP
Aarts werd in februari 1946 ingedeeld bij de militaire politie (MP) in Bangkok. Over een Bersiap-actie van het KNIL vertelt hij: ‘In een nacht kwamen we bij een huisje en daarvan wisten we dat er mannen zaten, die zich verstopten onder dekking van vrouwen, mannen en kinderen die er woonden. We schreeuwden in het Maleis dat ze allemaal naar buiten moesten komen, anders zouden we gaan schieten. Als ze allemaal buiten waren, schoten we door het huisje heen. Als we daarna keken, vonden we de kerels in burger gekleed. Ze waren onderdeel van Indonesische strijdmachten. Dat waren rovers …’
We werden steeds uitgezonden als MP’ers. Er kwam steeds meer Marechaussee uit Nederland. Zij kenden de wetten heel goed, maar van omgaan met IndonesiŽrs hadden ze geen kaas gegeten.

Alles wat zij in onderzoek hadden, daar moesten wij tolk bij spelen. Leuk vonden we dat niet, maar het moest toch gebeuren.

Uit zelfzelf kon de Marechaussee dus vrij weinig doen. Wij  hadden een stempelkussentje in de zak. Als er iemand een proces-verbaal had gekregen, dan moest hij dat ondertekenen.

De meeste arrestanten konden niet schrijven en dan drukten we de rechterduim op stempelkussen en op de plek van ondertekening van het proces-verbaal kwam dan de duimafdruk.

Aangezien hij de schrijfkunst niet machtig is, bekrachtigen wij dit met het plaatsen van de rechterduimafdruk, schreven wij erbij.

Maar eindelijk hoorden we dat er een schip klaarlag om ons naar Nederland te brengen. Dat was de ms Kota Inten die ons in 1949 naar Nederland transporteerde.

 
LANDMACHT
We weten allemaal hoe het afgelopen is. IndonesiŽ werd onafhankelijk, het KNIL is opgeheven op 26 juli 1950. En de heer Aarts is overgegaan naar de Landmacht infanterie als instructeur en uiteindelijk als aoo met pensioen gegaan. Hij zegt tot slot: ‘Voordat ik op Bronbeek kwam heb ik nooit naar herdenkingen gewild. Teveel herinneringen kwamen dan naar boven. Ik wilde ook geen contact meer met de vrienden die hetzelfde hadden meegemaakt als ik. Nu ik op Bronbeek woon, ben ik veranderd. Ik heb zelfs een KNIL-uniform gepast en gekregen en ga mee naar de herdenking op 15 augustus 2014.
 
MEDAILLES:

Onderscheidingsteken Langdurige, Eerlijke en Trouwe Dienst in Brons – 24 okt. 1945

Oorlogsherinneringskruis  - 8 febr. 1947
Ereteken voor Orde en Vrede – 25 mrt. 1949
Onderscheidingsteken Langdurige, Eerlijke en Trouwe Dienst in Zilver  – 17 nov. 1953
Eremedaille Orde Oranje-Nassau in zilver met zwaarden - 20 nov. 1970
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
Stichting Vrienden van Bronbeek
Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum KTOMM Bronbeek    
  
 mail:  svvb1983@gmail.com
                                                             
SVVB
 
 
 @ SVVB