26 juli 1950 - opheffing KNIL
geplaatst 26 juli 2017
Vandaag 26 juli is het 67 jaar geleden dat het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) werd opgeheven

Ter nagedachtenis aan de opheffing van het KNIL was er eerder (17 mei) een ceremonie bij het monument op Bronbeek in Arnhem. Prins Bernhard onthulde het gedenkteken op 26 juli 1990, 40 jaar na de opheffing van het KNIL. De bronzen figuren voor de granieten plaat verbeelden een Molukse en een Nederlandse soldaat in het gevechtstenue van omstreeks 1940. Ontwerper: ThťrŤse de Groot-Haider

 

(op de foto de heer Drijsen, de heer Kerrebijn en de heer Aarts Bronbeekbewoners)

   
Dankzij onderzoek van de heer Willem.L. Plink (Lkol cav tit) is het duidelijk geworden dat het KNIL sinds 1814 bestaat en niet zoals op het monument vermeld stond 1830.
Op het monument stond:
KONINKLIJK NEDERLANDS-INDISCH LEGER
1830 1950'
dat is veranderd na onderzoek in:
KONINKLIJK NEDERLANDS-INDISCH LEGER
1814 1950'
 
links het aangepaste monument
 
DE DATUM VAN OPRICHTING VAN HET KONINKLIJK NEDERLANDS-INDISCH LEGER
14 SEPTEMBER 1814
W.L. Plink
Luitenant-kolonel der cavalerie titulair
   
..De Java-Oorlog

De Nederlandse kant

De koloniale overheid is verrast als #prins Diponegoro in 1825 de verschillende bevolkingsgroepen verenigt en de Java-oorlog ontketent. De Nederlanders hebben geen passend antwoord op de guerrilla van Diponegoro.
Pas als #
generaal De Kock het leger in kleinere gevechtseenheden opsplitst en overal op Midden-Java forten bouwt, krijgt Nederland de overhand. Naar aanleiding van de Java oorlog wordt in 1830 een zelfstandig koloniaal leger opgericht, het latere Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL)..

Jaren geleden las ik bovenstaand citaat in de expositie van het Koninklijk Tehuis voor Oud Militairen en Museum Bronbeek (KTOMM). Wat later bracht ik een bezoek aan de Historische Collectie van het Regiment van Heutsz, daar zag ik het eerste vaandeldoek dat was uitgereikt in 1954 en inmiddels vervangen was door een nieuw doek. Op het geŽxposeerde vaandeldoek stond het opschrift KRIJGSVERRICHTINGEN KONINKLIJK NEDERLANDS INDISCH LEGER 1816-1950. En vervolgens zag ik op het toen vernieuwde vaandeldoek het volgende opschrift: KRIJGSVERRICHTINGEN KONINKLIJK NEDERLANDS INDISCH LEGER 1832-1950.
Als lid van de Commissie van Advies Vaandels en Standaarden waren deze constateringen interessant genoeg om een nader onderzoek in te stellen naar de in mijn ogen vreemde gang van zaken. En een stafstudie op te stellen. Deze studie telt ongeveer zestig bladzijden, te veel om dit weer te geven in een artikel voor het Bronbeekbulletin. Daarom een kort verhaal.
Uit het onderzoek bleek dat de wijziging van het jaartal 1816 naar 1832 is het resultaat was van diepgaande discussies over het betreffende vaandelopschrift in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De discussie binnen het regiment, de wapentraditieraad Infanterie (WTRI) en de Traditiecommissie Koninklijke Landmacht (TCKL) betroffen overigens het gehele opschrift en de daaraan gerelateerde oprichtingsdatum van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger.
Met de wijziging van 1816 naar 1832 worden een aantal krijgsverrichtingen tussen 1816 en 1832 veronachtzaamd, met name de Java-oorlog die toch van groot belang is geweest voor het voortbestaan van de kolonie. Wat zou er gebeurd zijn als Nederland de Java oorlog had verloren?
Sinds 1816 bestond de krijgsmacht in de Indische Archipel uit aldaar gestationeerde eenheden welke tot 1830 deel uit maakten van de troepen in Nederland en vanaf dat jaar een zelfstandige koloniale krijgsmacht vormde. Men zou in dat verband moeten aannemen dat de bevelvoering van de uitgezonden eenheden van uit Nederland geschiedde. En ook dat regelmatige aflossingen aan de orde waren. De reisafstand in die periode was groot en de reis gebeurde per zeilschip en duurde veel maanden. Van een eventuele bevelvoering vanuit Nederland kon derhalve geen sprake zijn. Op de acties van de inheemse bevolking moest immers snel en adequaat worden gereageerd en afwachten wat de koning en de Nederlandse legerleiding vanuit Nederland besloten was onmogelijk. Aflossing van eenheden gebeurde ook niet, in Nederland werd gerekruteerd met betrekking tot de Europese militairen en de verdere aanname en opleiding van inheemse militairen gebeurde in IndiŽ. De koloniale strijdmacht werd in feite vanuit Batavia geleid. De landmacht in Nederland kon alleen een bijdrage leveren in de aanvulling van Europese kader en soldaten. Hierdoor was in de praktijk het leger in IndiŽ al van meet af aan zelfstandig. In de praktijk bleek ook dat de organisatie in regimentsverbanden in IndiŽ onbruikbaar was. In de Java-oorlog werd pas succes behaald na reorganisatie van de eenheden in kleine verbanden. Dit gebeurde al vůůr 1830.
In de hiervoor aangehaalde discussie over het vaandelopschrift werd uiteindelijk geconcludeerd dat er in 1832 een geheel nieuw koloniaal leger ontstond.
Maar er was eigenlijk in 1832 geen sprake van het oprichten van een nieuw leger. Het was in feite een formele wijziging van de status van een koloniale krijgsmacht in het voormalig Nederlands-IndiŽ waarvan de formatie reeds in 1814 bij Koninklijk Besluit (KB) werd vastgesteld. Waarom formeel? Eigenlijk was het koloniale leger al na aankomst in IndiŽ min of meer een zelfstandig leger. Een leger dat al direct werd geconfronteerd met krijgsverrichtingen zoals de Padri-oorlogen, andere kleine schermutselingen en uiteindelijk de Java -oorlog. Een strijdmacht die formeel onder gezag stond van het leger in Nederland, maar in de praktijk zelfstandig moest opereren. De leiding van dat leger kon in de strijd niet wachten op nadere bevelen vanuit Nederland: heen en weer per zeilschip dus enige maanden! En de koloniale strijdmacht van voor 1830 was na 1830 hetzelfde leger, alleen de organisatie en wijze van optreden was door generaal De Kock aangepast: het waren wel dezelfde officieren, onderofficieren en manschappen, bewapening en uitrusting. Een pikant feit is dat aan Europese militairen en inlandse officieren van het zogenaamde nieuwe leger bij KB van 27 juni 1831 de Java Medaille werd toegekend. Een duidelijke aanwijzing dat de betrokken gedecoreerden bij het zelfstandig worden van de koloniale strijdmacht daarvan al deel uitmaakten vůůr 1830. Terwijl al 1830 de gouverneur generaal al informeel het koloniale leger zelfstandig had verklaard, Hierop wordt later in dit verhaal teruggekomen.
In diverse bronnen wordt gesproken over de informele afscheiding in 1830 en de formele in 1832 van de koloniale strijdmacht van het leger in Nederland. De indruk wordt daarbij gewekt dat deze afscheiding definitief zou zijn geweest. In de praktijk was dat ook zo, maar uit een artikel in het Indisch Militair Tijdschrift, 27ste jaargang nummers 7-12 van 1896 geschreven door B.T.C.F. Schmidt blijkt dat de afscheiding vrij regelmatig een onderwerp van discussie is geweest tot op regeringsniveau. Een voorzichtige conclusie zou kunnen zijn dat de afscheiding van 1830 niet zo definitief was als het leek en dat daarmee de stelling dat het KNIL in 1830 zelfstandig werd enigszins aan twijfel onderhevig wordt.
In het Militair Tijdschrift van 1874 is een artikel opgenomen onder de naam De Indische Brigade. Uit dat artikel blijkt dat al vanaf de aankomst van de troepen in 1816 de status van de troepen een punt van discussie is geweest. “Wellicht wist het toenmalig Nederlandsch legerbestuur zelf niet goed, wat op de gis af naar gezonden troepenmacht moest worden gedaan, of zij de kern moest zijn van een nog te organiseeren Indische leger; dan wel, geŽnregimenteerd zoo als zij was, een gedeelte van het Nederlandsche leger blijven uitmaken.”
Er was dus al eerder een poging gedaan om het leger in IndiŽ zelfstandig te maken. Maar de noodzaak kwam in de Java-oorlog waarbij bleek dat door de totaal andere gevechtsomstandigheden als in Europa een andere organisatie en wijze van optreden noodzakelijk was. Deze werden al op eigen gezag doorgevoerd door generaal De Kock. E.e.a. was kennelijk al bekend in 1830 bij de toekomstige Gouverneur Generaal Johannes van den Bosch. Voordat hij naar IndiŽ vertrok had van den Bosch uitgebreide beraadslagingen met de koning en de ministers over de toekomst van de kolonie met name over de beginselen het bestuur. Een van de onderwerpen betrof ook de organisatie en verzelfstandiging van het leger in IndiŽ. Van den Bosch vertrok naar IndiŽ met een persoonlijke instructie van de koning, waarbij de financiŽle aangelegenheden op de voorgrond stonden. Op 16 januari1830 trad hij in Batavia aan als gouverneur-generaal en enige dagen later werd een door de koning gearresteerd regeringsreglement, waarbij de macht en verantwoordelijkheid van de gouverneur generaal werden uitgebreid en in werking gesteld. Over de afscheiding van het koloniale leger werd uiteindelijk e.e.a. formeel vastgelegd in de Koninklijk Besluiten van 10 maar 1832 nummers 93 en 94. In feite een formaliteit want e.e.a. was al direct vastgesteld door de gouverneur generaal in 1830.
In de bibliotheek van het KTOMM is een – zeer – onvolledige en nauwelijks leesbare kopie en transcriptie van het originele besluit aanwezig. Uit de inleiding in punt 1 van dat besluit blijkt dat de reorganisatie reeds plaatsgevonden had. Dat stemt overeen met de vermeldingen dat generaal de Kock daarmee was begonnen in de Java-oorlog. Er is geen vermelding dat het leger zelfstandig werd. Mogelijk dat dit in de reeds plaatsgevonden reorganisaties was gerealiseerd en in ieder geval tot de praktijk behoorde. De indruk bestaat dat in het ontbrekende gedeelte voornamelijk wordt gesproken over de details van de nieuwe organisatie op alle niveaus. Een vermelding over het zelfstandig worden van de koloniale strijdmacht in het ontbrekende gedeelte welke handelt over de eenheden is niet logisch, zo een belangrijke vermelding had beslist in de inleiding van het besluit moeten staan. Mogelijk staat er iets in deze geest in de in de aanhef genoemde missive, maar ook dat valt te betwijfelen want dan was het zeker in het besluit van de GG overgenomen.
Een conclusie uit de eerder genoemde stafstudie is dan ook dat er in 1832 geen nieuw leger is ontstaan. Alleen werd de zelfstandigheid van het leger dat in de praktijk al zelfstandig opereerde formeel vastgelegd in de Koninklijke besluiten van 1832.
Ook de toevoeging het “latere” voor de naam Koninklijk Nederlands Indisch Leger” in het citaat met nadruk op het woord “latere” behoeft een nadere uitleg.
De benaming Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger is eerst in het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw gebruikelijk geworden nadat in 1933 de toenmalige legercommandant, luitenant-generaal, J.C. Koster aan koningin Wilhelmina een gelukwenstelegram zond waarin het Indische leger met het predicaat Koninklijk werd aangeduid. Op verzoek van de koningin vond toen een onderzoek plaats naar de herkomst van dit predicaat dat, naar het bleek, in 1836 was toegekend door koning Willem I als opschrift op de vaandels van het Ned. Indisch leger. Gevolg van dit onderzoek was dat de minister van koloniŽn. Dr. H. Colijn, bij brief van 7 nov. 1933, Letter E 26/no 154 Geheim de gouverneur-generaal van Nederlands-IndiŽ liet weten dat hij het op prijs zou stellen indien in den vervolge, zonder dat dit overigens met enige ruchtbaarheid gepaard te laten gaan, het leger in IndiŽ zou worden aangeduid met de naam Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.
Her resultaat van de stafstudie is tot uiting gekomen in een nieuw Traditiebesluit Koninklijke landmacht verwoord in het Koninklijk Besluit van 2 juni 2016 nummer 258 waar bij in artikel 5 lid 2 de traditie van het Regiment van Heutsz wordt verbonden aan het Koninklijk Nederlands Indisch Leger met als oprichtingsdatum 28 augustus 1814. Dat laatste is niet juist, deze datum betreft de oprichting van een paar bataljons die later deel zouden uitmaken van het koloniale leger. In een binnenkort te verwachten wijziging op dit Besluit wordt de oprichtingsdatum vastgesteld op 14 september 1814.
 
Plink heeft een aanvulling gedaan op 19 mrt 2018
 
'Uit nader onder zoek is gebleken dat er nog een belangrijke factor meespeelde bij het zelfstandig worden van de koloniale troepen. Het bestaan van deze troepen was mogelijk doordat zij deel uitmaakten van het leger in Nederland, een zware post op de begroting. Dat was al merkbaar bij de Padri-oorlog. Dus werd door de Koning besloten dat de kolonie zelf maar de kosten moest dragen van de handhaving van het gezag. En dit moest dan maar gebeuren uit de opbrengsten van de handel'. 
 
1 Citaat uit de publicatie “Documenten betreffende de eerste politionele actie” door drs. H.L. Zwitser, uitgegeven door de v.m. Sectie Militaire Geschiedenis (SMG)
 
   
   
 
-◊-Herdenking 2015 - met toespraak van Pauljac verhoeven
-◊-Herdenking 2016 - Molukse KNIL militairen eregast
-◊-Herdenking 2017 - Eregast Indonesische ambassadeur IGusti  Agung Wesaka Puja
-◊-Museumblog Bronbeek - Opheffing KNIL
-◊-Van koloniaal tot red devil
 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
 
Stichting Vrienden van Bronbeek
Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum KTOMM Bronbeek 
     
mail: svvb1983@gmail.com

 

SVVB
 
 
@ SVVB